Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

wonderen van broodvermenigvuldiging gedaan, waarom niet hier en nu, voor hen! Lichtmis was al voorbij en de zon van Sprokkelmaand scheen vroohjk over den dorren kloosterhof en onder de open zuilenbogen door, die den vierkanten tuin omgaven en van de breede zwaar gewelfde ommegang scheidden, 't Was doodstil. Geen koe loeide er immers meer in de stallen, geen kip kakelde, Zelfs geen duif koerde er nog op de daken. De pelgrims waren na het noenmaal dadelijk scheep gegaan; de broeders zaten zeker in hun studie of schrijfwerk verdiept of rekten hun middagslaap Zoolang mogelijk om den honger te vergeten. Ze hadden de leerlingen met strafwerk en slaag nu eindelijk wel diep genoeg ingeprent, dat ze niet gestoord wilden worden. Want geen schaduw van een scholier was er ergens te bespeuren en geen roep of lach ver of nabij te hooren. Vader-abt Magloire stootte een diep nispoortje open, dat tegenover de zuilengalerij in de gang uitkwam. Hij stond op den drempel der scola. In de groote laaggewelfde zaal, al te domp en duister nu daarbuiten de zon zoo helder scheen, zaten de knapen bedrukt en roerloos in de banken, met de vuisten

tegen de ooren over de boeken gebogen Maar

zoodra ze hem gewaarwerden vlogen ze haast allen tegelijk op, en naar hem toe — met zoovelen en zóó onstuimig dat vader-abt terugweek in de zonnige gang, en daar meteen midden in htm dichten kring stond. Ze lagen op hun knieën, ze kusten z'n voeten, grepen z'n handen, klemden zich vast laan z'n pij. „Laat ons toch, vader-abt, laat ons!" 't Was één ach en wee, en tegelijk een jubel, dat

131

Sluiten