Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

Serks reede was, die verlaten oude bark, met haar afgeknotten mast, haar gebroken roer en vermolmde flanken, overwoekerd door wier en zwammen, een onttakeld wrak, dat daar halfomgekanteld vergeten lag op het zand en de schelpen van een uitgedroogde haven* „Schuitje varen 1" joelde de bende. Ze waren er al met hun allen bij. Zij enterden het met hun rappe handen en voeten tegelijk; Ze klauterden langs bakboord en langs stuurboord er in; ze schudden en schommelden het recht op z'n kiel; ze doken in het ruim en begonnen het te kalefaten met de losse planken en pinnen» die ze er vonden. En zoo verdiept raakten ze in dat spel, zij allen zonen van visschers of koopvaarders* wien de zee in het bloed zat, dat ze aan geen uur of tijd meer dachten, hun les en hun lastige leeraren vergaten en maar sjorden en klopten, en ten laatste toch wel eindelijk eens over boord keken om te zien wat dat ruischen, dat spoelen en klotsen van water beduidde, dat genoegehjke dodij nen alsof 't nu waarlijk op een varen ging! Een gejuich barstte er los, een daver van geluk, toen Ze het zeewater zagen, den vloed al zóó hoog gewassen, dat hij de kiel van het schelpenzand had opgelicht, en hun schip zacht en zalig wiegde, terwijl het los en vlot lichtjes voortdobberde en

wegdreef. al tusschen de kustrotsen uijfc......

„De zee in!" joelden de kleine zeerotten, dol van geluk. Want de wind, die den vloed zoo hoog opjoeg, blies in hun witte mantels, dat ze omhoog wapperden en bolden als zeilen, en daar schoot de bark vooruit, als tot nieuw leven ontwaakt in verlangen naar de verten.

133

Sluiten