Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

de wind en de zeezang meenamen de eindelooze ruimten van het heelal in.

Den volgenden morgen vroeg naderde een groote hark de kust van Neustrië. Een wonder wit licht, helderder dan de glans van zonsopgang, straalde van dat vlugge, als voortzwevende schip uit. Veel volk uit de rijke havenstad liep te hoop om te weten wat dit toch te beduiden had. Eerst onderscheidden ze een wemel van tengere blanke gestalten achter de reeling, en ze begonnen al over engelen te spreken, toen ze gewaarwerden dat het stralend schip eigenlijk een aUer-armzaligst wrak was, met gebroken mast, zonder zeil of roer, en de engelen een zwerm witte monnikjes, die 't dan toch maar klaarspeelden, zonder zeil of riemen te varen, zonder kabels en ankers te landen 1 „Honger hebben we", riepen ze de kijkers toe. „Honger

[heeft heel Serk, vader-abt en alle broeders"

En toen ze alles vertelden over den nood in het [klooster van vader-abt Magloire, alles van hun reis over zee, begrepen de Neustriërs, dat de 'Voorzienigheid zelf deze monnikjes had uitgestuurd om voor Serk bijstand te halen. „Juist naar ons!" zeiden ze trotsch. ,,'t Blijkt dus wel duidelijk, dat wij ook hierboven staan aangeschreven als rijk en goedgeefsch......"

Nog geen uur later was de bark reeds volgeladen met graan en meel uit de volle havenpakhuizen, en toen ze dan bij het gejubel van de monnikjes opeens en vanzelf opnieuw zee koos, zoo vlot • en vlug als alleen een schip vaart, door Gods adem voortgeblazen, volgde heel een vloot van kleine en groote schepen het de zee over naar Serk. Zoo-

135

Sluiten