Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

„Beter de handen vol liefde, dan de oven vol geld," mompelde Laurik, toen hij haar spijtigen blik zag, en ze trok haar handen niet terug uit de zijne,

Katel legde haar bruidsdos niet af. Wekenlang liep en zat ze met het vleugelkapje en den breeden kantkraag, met het zwartfluweelen keurs, de gouden snoeren, den kleurig geborduurden boezelaar. En ze het zich door Laurik bedienen als een koningin.

Zóó gelukkig was Laurik met zijn herrezen thuis en zijn vrouw, dat hij zelfs niet gewaarwerd, hoe schamel dat thuis en hoe laatdunkend die vrouw was. Twee maanden lang. Toen raakten de spaarpenningen op, en om er nieuwe te verdienen moest Laurik met de andere mannen en jongens van Kerangosquar mee ter vischvangst naar IJsland uitvaren.

Bij het afscheid binnenshuis stroomden Lauriks warme tranen Katel op den stijf gestreken kantkraag. Dat mocht niet. Ze weerde hem af, keek verstoord in haar wandspiegeltje, schikte het vleugelkapje recht en wilde toen toch wel met hem meegaan tot den inham, waar de visscherspinken zeilree lagen. Tusschen Kerangosquars vrouwen en dochters stond ze de kleine vloot met de rood-bruine driekante zeilen na te wuiven, zij Katel, schoon en statig als geen andere, zóó schoon, dat Laurik, blind zelfs voor de zee, alleen haar bleef zien, en van het vaarwel af het verlangen naar het weerzien bleef omdragen in zijn hart als een vreemden honger, die hem de spraak benam maar zijn ijver voor den arbeid hevig opzweepte. Han-

i6z

Sluiten