Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

tast doof de gevreesde melaats chheid, morgen bij* plechtige uitvaart zou uitgebannen worden uit de samenleving.

Veel te vroeg stond Laurik dien Maandagochtend gereed midden in zijn binnenhuis. Hij had de pij van de malords aangetrokken met den gordel van leer» over zijn hoofd hing de witlinnen lijkdoek en in zijn saamgevouwen handen hield hij het kleine, houten kruis. Hij dacht aan zijn trouwdag, en tranen van bloed hepen hem over de kanker kaken.

Eindelijk kwam de begrafenisstoet hem halen, het zwarte kruis voorop. Alleen de pastoor, in surplis en rouwstola, trad over den drempel en zegende den malord met wijwater, kruiswijze gesprenkeld over het hoofd onder den lijkdoek gebogen. Zelf legde Laurik zich op de baar. Vier van zijn vroegere varensgezellen dekten hem met het zwarte laken en droegen hem langs den kerkweg. „De Profundus at te clamavi" zong de pastoor, en dof mompelbiddend herhaalden de dorpelingen: De Profundis.

In de kerk werd de baar tusschen brandende kaarsen neergezet: Requiem aeternam dona ei, Domine hieven de parochianen aan, en op zijn baar bad Laurik het Requiem mede, wel wetend dat alles wat hier gezongen en gebeden werd, niet was voor zijn zielerust, maar voor de zielerust van Katel.

Zuchten en snikken, een niet te bedwingen weeklagen ging er op in de kerk, toen de priester den malord de over- en onderkleeren toereikte met het vuurrood leprozenteeken, dan den klepper, den drinknap, de leer en handschoenen; en de

168

Sluiten