Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

Dat hoorde hij, als de koeren en visschers uit den omtrek, bij wien hij zijn brood bedelde, haar verachtelijk Katel Gollet noemden, de verlorene. Dan kromp zijn hart van pijn ineen, en het lange wachten op de foltering van het weerzien, werd hem tot een zielsfoltering, die hem het branden van zijn immer open wonden het vergeten. Juist echter toen hij weifelend bad, of de Verlosser het vergeefsche snakken naar de hevigste pijn misschien ook als boete wilde aannemen, werd opeens alles anders. Heel den nanoen kwam hoefgetrappel en naderend radergerol de stilte van de zomerbosschen storen, Kergarious poorten stonden wijd open en gasten en gasten stroomden toe. Het was duidelijk, dat er daarbinnen weer een groot feest zou gevierd worden, het eerste sinds de jagers den malord onder de voeten hadden gereden, Laurik, die zich om of bij de open poorten niet waagde, en zich toch meer dan ooit tot den burcht voelde aangetrokken, was langs de zijwallen tot de kust gedwaald, en legde zich daar tusschen de rotsen om naar het bonte bewegen bij brug en poort te kijken, dicht naast den inham waar Kergarious kleine boot lag vastgemeerd.

Toen de schemering langzaam was overgegaan in den avond, — een mild en teeder zomeravondduister, waarin de sterren als stille waaklampen haar licht uitschenen over den rustig aangolvenden vloed, — kon Laurik niet meer laten, waarover hij urenlang had liggen mijmeren, terwijl hij de boot dobberen hoorde en de speelsche golven klotsen tegen haar boorden. Hij kroop naar het scheepje

178

Sluiten