Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

nimmer haar hooghartigheid, die hem evenveel vijanden verschafte als zij minnaars afwees»

Eens echter» in een schemeravond» vond Grallon na lang weifelen den moed om bedeesd, in tastende voorzichtigheid te vragen: „Op wien toch wacht mijn schoone Dahuut» dat ze zoo trouw blijft aan haar vader en haars vaders huis en stad?" En hij verbaasde zich in het heimelijke van zijn hart te hopen, dat ze zou antwoorden: „Op den éénen, die naar wezen en aard op mijn vader Grallon gelijkt". Plotseling zag hij in, hoe hij sinds haar eersten levensdag nooit had opgehouden te smachten naar een blijk, hetzij gebaar of blik of teeder woord, waardoor hij zou voelen, hoe zij hem liefhad meer dan iemand of iets om haar heen.

t In spanning zag hij haar aan. Ze lachte smadelijk, zooals zij alleen lachen kon, dat haar lippen en fijne neusvleugels trilden, haar donkere oogen vlamden, haar houding nog hooger, haar gestalte nog leniger geleek, dat zelfs haar handen, het gebaar van haar beringde armen, haar lichte voeten doortrild schenen door dien lach van hoonenden trots» Maar achteloos dan, met verwijderden blik alsof ze alleen was, sprak ze: „Wien heeft Dahuut noodig buiten zichzelve?"

Beschaamd om haar harteloosheid wendde Grallon den tranendonkeren blik van haar af, en staarde langs de vensterzuilen droef zinnend over de zee, die aan drie zijden de machtige rotswallen van zijn koningsstad bespoelde» Thans in haar ebben duisterend in den stervenden dagschijn, kwam ze hem even vreemd en ver

185

Sluiten