Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

Niet voordat de stemmen weer herleefden, vertrouwd met haar tegenwoordigheid, Grallon en Rivoal weer verdiept waren in hun ernstige beschouwingen over de vernieuwing der tijden, richtte Dahuut zich tot Corentijn en sprak hem aan, schuchter schier:

„Vanuit mijn venster zag ik u dezen morgen op-en-neer wandelen in den paleistuin. Het scheen me, dat ge in diepe gedachten verzonken waart...... Wat hield u bezig, heer?'*

Haar vraag kwam aarzelend en ontroerd, als schrikte ze terug voor dit tasten naar vertrouwelijkheid, hunkerend toch naar verinniging.

Zoo rustig zag Corentijn haar aan, dat de Zachtzinnige stilte, die uitging van zijn blik, ook in den haren rust scheen te brengen.

„Waarover zou iemand nadenken, vorstin, die afscheid neemt van de wereld?"

„Gaat ge u inschepen, heer, voor een verre reis?" vorschte ze naar de verklaring van die onbegrepen woorden, „of zijn er oorlogsplannen wellicht?"

Er kwam een schrille ergernis in haar stem over zijn zwijgen en haar eigen vragen. Wien had ze ooit drie vragen gesteld om één antwoord ?

Maar onverstoord in zijn rust schudde Rivoals zoon het hoofd, dan prevelde hij langzaam als voor zichzelf: „We zijn gekomen, vader en ik, om koning Grallon te zeggen welk groot geluk ons ten deel is gevallen. Door het doopsel zijn we tot Christenen geworden. Voortaan zal ik me geheel mogen wijden aan den dienst van den éénen God".

-93

Sluiten