Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

Dahuut had in Ker-Is meermalen en altijd verachtelijk hooren zinspelen op den godsdienst van vasten en boeten, die als een zielspest zoovelen in het wereldrijk had aangetast, en tenslotte, heimelijk ondermijnend, zijn ondergang had bewerkt. Zij, stedelingen van Ker-Is, hadden zich weten te vrijwaren tegen deze besmetting en daarom bleef hun kracht en heerlijkheid onverzwakt voortbestaan. Want niet het treurig laatste overblijfsel van Rome's glorie was Ker-Is, maar wel de kern har er herleving. Mits ze de leer van den Nazarener verre hielden

En wanneer er deze laatste jaren nu en dan geruchten doordrongen in de vreugdestad, dat er opnieuw predikers van het verfoeide geloof door de bosschen en langs de kusten van Armor dwaalden, mannen in witte pij en met kaalgeschoren kruin, wier reisstaf een kruis was, meegekomen met de vluchtelingen van overzee, de blondharige Kelten, door de heidensche Angelen en Saksers van hun vreedzaam, vruchtbaar eiland verdreven, — dan gingen er wel stemmen op tot verdelging van die verderfzaaiers, maar verder dan tot loos geroep en gepraat kwamen de zorgelooze stedelingen niet. Telkens immers vroeg een nieuw feest al hun dagen, hun doen en denken; de toebereidselen of de naroes waren van feest tot feest hun eenige rustpoozen.

En kon het Ker-Is eigenlijk deren, wat er omging ginds in de bosschen of op de kustrotsen ? Ker-Is was een wereld en had aan zichzelf genoeg. Christus zou er verre blijven, daar er plaats noch tijd was voor Hem!

194

Sluiten