Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

Hiouarn neergehurkt naast het voeteneinde dien kranken sluimer meewarig te bespieden, angstig luisterend naar het aanzwellend rumoeren buiten en binnen het paleis, niet te weren door driedubbele voorhangsels of dichte luiken. Tot hij zelf het hoofd ïn de handen verborg, diep neergebogen, en niet wist wien te danken, dat niemand daarbeneden den zwijgenden, kreupelen Hiouarn miste in den wervelstorm, waarin Dahuut dienaarschap, paleis en stad en wel heel Finisterra had opgezweept.

Den tienden dag ontwaakte Grallon, gewekt door den durenden schal der klaroenen, door een gedruisch van roepen en joelen, waarvan de weergalm als onheilspellend geweeklaag in de diepe stilte binnen het ziekenvertrek kwam wegsterven.

„Wat gaat er om, Hiouarn?" Zoo zwak was Grallon, dat zijn lippen bleek beefden bij die uitgehijgde vraag. Veeg zonken zijn oogleden dicht.

„Bruiloft", antwoordde de slaaf bedachtzaam. „Hoe lang nog?"

„Tot Dahuut, uw dochter, haar bruidegom gekozen heeft. Duizend zijn uitgezonden om duizend te halen. Tien zijn geofferd, eiken morgen één".

„Ach, Corentijn" verzuchtte de koning en

hij viel terug in zijn bewusteloosheid.

Opnieuw wekte hem na vele dagen, die één lange doodsche nacht voor hem waren, hét schallen en druischen dat een woeste roes was geworden, omstormend door het paleis en door de straten der stad.

„Hoe lang nog?" kreunde hij.

206

Sluiten