Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

„Weet gij, mijn koning, wie ter wereld sterker zou zijn dan Dahuuts haat?" klaagde manke Hiouarn. „Zijn honderd geofferd aan de zee, dan zullen ook tienmaal honderd geofferd worden, en

de waanzinnige feestroes wordt tot razernij

Grallon, mijn koning, leef en waak en zoek redding voor Dahuut en Ker-Is".

Wat vermag Grallon, de onnoozele? Roep de goden aan, Hiouarn".

Hiouarns voorhoofd rimpelde zich diep. „Daarbuiten wordt luid geroepen, dat deze moordbruiloft een offerfeest is voor de goden, zooals nog nooit tot hun eer werd gevierd...... 's Avonds

onder den rozenregen, aan de tafels in zalen en straten, ziet men uit naar hun verschijnen. Een walm van wierook en offerbloed slaat uit de tempels...... Koning", dieper neeg zich de slaaf voorover en als kon hij het kwellend geheim met langer alleen dragen, stiet hij uit: „ze zeggen, hierbinnen en daarbuiten, dat van Ker-Is al de goden van Walhalla en al de goden van den Olympus opnieuw zullen uitgaan over de wereld, om hun rijk over de kinderen der menschen te herstellen, door den Eénen belaagd......"

Daar hief Grallon zich op in de kussens en sprak met vaste stem:

„Hiouarn, ik wil morgen genezen zijn".

Gretig dronk hij den drank, dien de slaaf hem mengde. Maar twaalf dagen duurde het nog, eer hij van zijn ziekbed tot het venster kon gaan.

„De zie de zee wemelen van kleurig bevlagde schepen, die met volle zeilen aanstevenen, als hadden ze haast".

207

Sluiten