Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

„Ijlings komen de schepen over de waterbanen, ijlings de ruitergroepen over de wegen van Armor", berichtte de slaaf dof, als wilde hij in zijn onmacht gevoelloos worden voor een ramp zoo geweldig. „De razernij van Ker-Is schijnt zich besmettend verbreid te hebben over alle oorden. De Stad is te klein voor de toestroomende scharen. Alle vrouwen jubelen Dahuut toe om haar macht en moed; alle mannen dingen naar de gunst van haar uitverkiezing, terwijl ze krijschend en brullend van wellust de offering van den uitverkorene van één nacht bijwonen* En schooner

dan ooit staat Dahuut op het havenhoofd en schouwt met haar wreeden glimlach en haar oogen vol raadselen naar eiken meuwgeofferde, die worstelend met zee en dood naar haar de armen uitstrekt en wegzinkt in de eeuwige diepten, terwijl zijn laatste smachtende kreet nagalmt over het water „Dahuut!"; geen vloek maar een smeeking als van een die waarlijk mint. Dan gaat er groot gelach op uit de menigte, dat in joelen en tieren niet meer bedaart, vóór Dahuut in den nieuwen morgen haar nieuw offer tot de wachtende priesters leidt".

Phchtmatig schier in zijn gelatenheid had Hiouarn verteld. Maar hier bleef hij steken. Met opengespalkte oogen staarde hij zijn heer aan, terwijl zijn hoofd smartelijk langzaam heen en weer schudde. Dan, of zijn eigen woorden nu eerst naar hem terugsloegen als een overstortende golf van droesem, rüde hij walgend:

„O, heer, verschrikkelijk zijn de menschen".

„Hiouarn", bezwoer Grallon dien afschuw,

208

Sluiten