Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

Wel school er meer in de schoone barbarendochter dan ze ooit vermoed hadden; ze had de kracht gevonden, de nagebootste verfijning en de aangeboren ruwheid in zich te verwerken tot één macht van wellust en wreedheid, die zich in weidsche verbeeldingen en wereldschokkende daden uitvierde. Sidderen voor haar? Wonderen van haar verwachten? Neen — alleen zich gewonnen geven aan haar geestkracht, waarbij de hunne, uitgeleefd en krank, steeds zwakker en slapper werd.

De priesters der tempels schudden meewarig het hoofd over de laffe overgave der stedelingen aan de waanzinnige tirannie dezer verdorven vrouw, over den dwazen drang der vreemdelingen naar een waarneembare godheid en een durend heil. Alleen de oudste en wijste hunner vroeg somber: „Tasten ze niet naar een laatste behoud, terwijl alles om hen heen ineenstort en verzinkt?*' Hij geloofde niet meer aan de goden der tempels, en zocht dag en nacht in de geschriften der wijsgeeren vergeefs naar de ontwarring der raadselen van zijn en niet-zijn......

In den nacht vóór den negenden dag, terwijl allen waakten om zich tijdig te kunnen opmaken tot het feest, kwam de storm uit het westen aanloeien, ver en dof eerst en met tusschenpoozen van duister grollen, alsof hij telkens teruggestooten in de diepten van het donker, met rukken en woest gehuil zich weer los moest woelen. Angstig luisterden de vreemdelingen in de tenten, de stedelingen binnen de muren. Strak en doodstil waren immers, dag na dag, hemel en zee geweest,

ai8

Sluiten