Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

mantels, omstuwd door nogeens heel een legioen voetknechten met het blanke zwaard geheven* Een leger tegen den storm in, langzaam, dicht aaneengesloten, om wie achter aankwam en tegen het aanvallend geweld van den wind te beschermen; de schare van luchtig trippende kleine knapen, die almaar roode rozen diepten uit gouden korven, en ze lachend heten meezweven met het waaien, rakelings langs de wielen van Dahuuts zegekar.*...*

Want Dahuut naderde op stralenden triomfwagen door twaalf getemde leeuwen getrokken, Dahuut die met gouden schakelketens eigenhandig de leeuwen mende, Dahuut met een van edelsteenen flonkerenden helm op den donkeren vloed der haren; met een mantel glanzend gelijk de zee bij zonsopgang, een golf van stroomend licht van haar schouders neer. Strijdbaar droeg Ze een soepel zilveren ringkolder over het bruidskleed, witter dan het schuim op de golfkammen. Snoeren van emeralden omwonden hals, armen en enkels. Toch scheen al haar glans uit te gaan en weer samen te stroomen in het ééne juweel op haar borst, den Sleutel, koningsteeken van Ker-Is en zinnebeeld har er macht.

Hoort ze den jubel niet der toeschouwers T Wordt ze niet gewaar, hoe ze de handen naar haar heffen en uitstrekken? Beweegloos staart ze in de verte. Toch glimlacht ze. Zegevierend staat Ze, sterk en vast. Maar haar glimlach is duisterder van geheim dan glansschemer over de bruisende stormzeeën. Ziet ze den bruidegom naderen?

Achter de drie honderdschappen van brons

aar

Sluiten