Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

gepantserde reuzen, die als een onwankelbare wand haar stoet beschermend sluiten, dringt de menigte aan, die wil gaan waar Dahuut gaat, die wil zien, wat Dahuut ziet......

En aldoor luider, machtiger dan de storm ten laatste, klaroenen en gongen en het gedreun der hengstenhoeven overstemmend, jubelt van daken en koepels, uit het want der schepen, van wallen en poorten en bogen, haar naam......

„Dahuut, de goddelijke".

Ze is afgestegen, werpt achteloos de slaven de ketentoomen toe, en schrijdt vastberaden het bazalten havenhoofd op, woest omfladderd door haar sluier en mantel.

In den Sleutel, dien ze hoog in de handen heft, weerschijnt niet alleen haar eigen luister meer, maar heel de gloed der middagzon en het helle licht, dat blinkt uit den wild woelenden oceaan.

Hui verstil wachten de scharen.

Zelfs de stedelingen van Ker-Is, die van ouder tot ouder 's Keizers landvoogd of hun koningen toch maand na maand de Waterpoort zagen naderen, zoo naar het midden der sluisdeuren schrijden, en hen statig overbuigend den Sleutel zagen omdraaien in het slot van den gouden grendel, dat alle sloten en sluitboomen der twee dubbeldeuren laat openvallen, — ze wachten thans in ontzetting.

Wat wil, wat waagt Dahuut? Wat wacht zij? Riep ze waarlijk den storm op en daagt ze den storm thans uit? Gaat ze haar wreed minnespel spelen met den Oceaan zeiven?

222

Sluiten