Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

Onbewogen blijft ze, overplast en ombruist door het water, waarin haar voeten reeds verZonken staan, dat haar in ruwe aanvallen over de schouders spat en samenvloeit met de plooien van haar wijd wapperenden mantel.

Even woest als de Oceaan vóór haar, is achter haar de menschenzee bewogen, wier angst voor de aanstormende stroomen worstelt tegen het verlangen, om Dahuut te zien en te zien wien zij ziet......

Want wel moet hij nabij zijn, de bruidegom. Staat ze niet met de armen wijd open, heft ze niet het hoofd in een lach van vervoering I

Eén oogenblik van stilte alsof storm, oceaan en menschenzee, den adem inhouden.

Dahuut spreekt: „Ziet den bruidegom!'*

Niet overluid spreekt ze en zonder zich om te wenden. Ze schouwt uit naar den oceaan. Ze wijst en omvangt in één wijd armgebaar zijn aanstormende vloeden.

„Wat wijst, wat wil ze?" Het Verlangen om te weten wint het van den deinzenden doodsangst... De bruidegom? Waar? Wie?" In opstormenden drang stort de menschenzee aan: „Dahuut!"

„Ziet den bruidegom!" met haar wijd open armen en haar lach van verdwaasde wanhoop, doet ze door het aandruischende water een schrede voorwaarts, nog een schrede...... „Ziet

zijn bruid!" en wil zich voorover in de woeste golven storten. „Gij, Oceaan, eenige die mij en mijn haat kunt vernietigen".

„Heil Dahuut!" brult het volk, razend van schrik en bewondering. Ze willen zien, Dahuuts

224

Sluiten