Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

eedt voorgelesen en daernaer hem van woordt tot woordt voorgeseijt en hij gedetineerde hem naergesproken en gedaen heeft mits opsteekende de twee eerste vingeren met den duijme sijner rechte handt, behelsende desen eedt ongeveer: dat hij Godt met de heijlige Moedergodts afsweere ende den duivel toe. In cashij daernaer gevanghen werde hij sigh eerder moeste laeten doodt pijnigen als eenen van hen verraeden offte in cas hij hen verraedde ende daernaer uitquaeme sij met hem souden doen gelijck het diegheene soude gaen die alsoo gevanghen werden".

Na afloop dezer plechtigheid gebood hem Geerlingh uit te gaan en de anderen binnen te roepen. Binnen gekomen was het altaartje verdwenen. Geerlingh wenschte allen geluk en zeide, dat na deze eedsaflegging allen broeders waren en gaf ieder 6 schillingen voor handgeld, zeggende, dal hij allen zoude waarschuwen als zij 'zouden gaan stelen. Na toen eens goed gedronken te hebben gingen allen naar huis.

Geerling Daniels was de onder-kapitein der bende. Tot meerder securiteit moest de eed nogmaals worden gezworen bij den kapitein te Geleen. Zoo gebeurde het, dat eenigen tijd daarna ten huize van den kapitein te Geleen eene vergadering plaats had alwaar ,separatelijck" in eene kamer werden binnengelaten: Anthon W., Scheperkens Rut, Richters Nöltjen en Nol C. Daar stond gereed een geïmproviseerd altaartje op dezelfde wijze voorzien als dat bij Geerlingh Daniëls te Wolfhagen en waarvoor een voor'een denzelfden eed moest zweren, leder beeedigde kreeg als handgeld van den kapitein 6 schillingen. Daarna werd aangekondigd den diefstal bij de gezusters de dames Gadé te Lutterade (huis op de Vuling aldaar, behoord hebbende aan de familie Kallen). En zeide Nol C. „eer wij gingen stelen bij Gadé kreeg ieder van den capitein een half glaesken brandewijn, waarin de capitein iets dede uijt een ander cleen glaescken, ende dat ingedroncken hebbende was ik gans droncken ende gelijck een wilden mensch geworden".

Eene andere eedsaflegging voor nieuwe leden had, volgens getuigenis van de beschuldigde Henric Schr., plaats in 1736 of 1737 bij den Heksenberg omtrent Heerlerheide onder de volgende omstandigheden: Hendrik Schr., Lennert J. het Cuijperke, Laum Cr., Ggerlingh Daniëls, Thijs Sw. en Wijn W. allen van Schinnen,

15

15

Sluiten