Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

smisachtige bruine haeren, rondt ende blanck van aengesicht. De op het kasteel van St. Jansgeleen gedetineerde bandiet Hendrick Gl. getuigde op 16 April 1751 voor het schepengerecht van Geleen, dat Michiel H. medegedetineerde aldaar bij hem aangedrongen had te revoceeren zijne respondeeringen bij de scherpe examinatie van 25 Januari en hen geraden had, zoo» hij nogmaals op den stoel van tortuur zoude komen, alsdan als plichtigén te noemen de schepenen en andere eerlijke personen. De lezer zal hieruit concludeeren hoe diep gezonken die roovers in hun boosheid waren.

Anderen wisten den kapitein niet bij zijn naam te noemen en deden eene beschrijving van zijn uiterlijken persoon. Volgens getuigenis van eenigen was de kapitein verkleed en meermalen zijn aangezicht zwart gemaakt (wellicht om niet door zijne medeplichtigen gekend te zijn). Opvallend is het, dat in de eerste crimineele stukken van het schepengerecht van Geleen, tijdens het secretariaat van (den lateren drossaard) R. Corten, een aangehuwd familielid van Jhr. de Gaverelle, diens naam niet vermeld, maar aangeduid wordt door N. N. (non nominandus).

De getuige Hendrick Sch. noemde echter eerst in Mei 1751 den naam van de Gaverelle, in wiens handen in het jaar 1736 aan den Heksenberg den eed moest worden afgelegd en onder wiens leiding ongeveer 't jaar 1736 de kerkdiefstal te Amstenrade (ook volgens Jan Sch.) en m het jaar 1741 de kerkdiefstal te Hoensbroek plaats had. Antoon H. getuige-medeplichtige beschrijft den persoon van den kapitein als medeplichtig aan den inbraak bij Petri te Puth als: gekleed met blauwe monteering met roode opslagen, hoed met gouden band, gewapend met degen, rond en fraai van aangezicht en met zwart-bruine gebonden haren.

Eveneens als de schuld van de Gaverelle niet stellig zou bewezen zijn, lijkt mij twijfelachtig de nedeplichtigheid van diefstal bij Gadé door Jonkheer Duprez. Deze behoorde tot den deftigen stand en had den titel van jonkheer. Wie van de drie zonen van Balthasar Duprez de beschuldigde was, bleek niet uit de stukken. In de Geleener proces-stukken staat zijn naam eveneens aangeduid dooi N. N. en voor zooverre dezelve gezien, blijkt

25

Sluiten