Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

twee van Merkelbeek en nog- eenigen (volgens de getuigen onbekenden). In het geheel waren van de bende present circa 60 man.

Allen waren gewapend hetzij met stokken, mestgaffels, sabels, geweren of messen.

Duprèz had een degen op zijde en een fluitje. Volgens afspraak moesten allen bij het eerste signaal vluchten. 1)

De belooningen van de medeplichtigen bestond uit enkele schillingen. Mevis O. kreeg 3 vrouwenhemden, 2 servietten en 1 handdoek. Anderen kregen ook eenig linnengoed. Michel H. kreeg een pak om te verdeelen onder de 6 Spaubeekers, welke verdeeling plaats had bij de kapel in het veld. Het verdeelde werd verkocht bij eenen jood te Sittard in de Limbrichterstraat, eenen man redelijk oud van jaren, grijs haar en gekleed met bruinen rok, Wonende rechts als men de Limbrichterstraat inkomt; in hetzelfde huis was nog een jongen jood grooter dan de oude. Mevis O. kreeg van hem 6 schillingen voor zijn goed.

Josina Gadé oud 60 jaren getuigde op 5 Juli 1749 ten overstaan der schepenen van Geleen, Jöes Selis en Lambertus Claessens, vergaderd ten huize van Jöes Crousen te Lutterade, dat de diefstal plaats had den verleden Maandag II. een uur nachts. Zij zag op haar slaapkamer een man in blauwen kiel met licht, waarop zij riep „Jezus, Maria." De man gaf haar eerst een zwaren slag in het gezicht, waarop hare handen op den rug werden gebonden met eene serviët en hare beenen bij elkaar werden gekneveld. Daarna werd zij op haar gezicht op het bed omgelegd. Toen gebeurde hetzelfde met de bij haar slapende ZLSler Jeanne Marie. De inbreker met gekroest haar en bruin gelaat vroeg haar met gemaakte stem, waar het gouden kruis lag. Zij verklaarde kwijt te zijn geworden aan geld, zilverwerk, linnengoed en zijden kleeren ter waarde van ongeveer 3000 gulden. Na den

1) Naar men thans nog vertelt onderhielden de dames Gadé eene zekere vriendschapsrelatie met de kinderen van B. Duprez, wonende nabij de kerk te Geleen. Welke van de 3 broeders Duprez de bandiet was blijkt uit de stukken niet. Alhoewel deze zich bij het stelen ten huize van genoemde Dames vermomd had, werd hij toch herkend, hetgeen de Dames ter oore kwam. Bij hunne bezoeken lieten zij echter niets blijken. Toen de jonge heer eens erg galant wilde zijn kon een der Dames niet nalaten eene zoo pakkende zinspeling te maken op zijne medeplichtigheid aan den begaüen diefstal dat hij het raadzaam achtte de Maas over te gaan.

56

Sluiten