Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

dens te saemen aen het discoureeren waeren, ende doens gehoort dat deselve Gl. seijde: dat de heeren meer wilden weeten als hij wiste, vloekende en scheldende op de Justitie, dat hij liever wilde hebben dat sij al met lijff en seel voor den duivel waeren. Ende verders gehoort dat denselve seijde als wanneer hij naer de Justitie (strafplaats) soude gebracht off gevaeren worden, dat hij onder alle menschen soude seggen dat ze onnooselen afgevaeren wierden, ende dat hij alsdan de Schepenen off heeren van Justitie soude voor het oordeel Godts roepen. Ende Drickes en Miggel begonnen weer te bidden. Nee plus nee minus etc. (Volgen de handteekeningen.)

De gevangen slotenmaker Peter op het Eijnde te Geleen vinden wij in de verdere stukken niet terug.

Intusschen zat op het kasteel St. Jans-Geleen medegevangen Mevis O. wolspinner te Spaubeek verdacht van medeplichtig te zijn aan de diefstallen met braak ten huizen van Gadé en Petri. Na eerst alles te hebben ontkend werd de scherpere exaroinatie op 10 en 11 Februari 1751 toegepast waarbij O. bekende medeschuldig te zijn aan de hem ten laste gelegde diefstallen. Aangaande den diefstal „Gadé", verklaarde hij dat Geerlingh hem geïnstrueert had, dat de Gavarelle een fluitje had en dat het een teeken was tot vertrek zoo hij het fluitje hoorde. Hij bevestigde tevens de medeplichtigheid aan dezen diefstal van Jhr. Deprez en dat mede daarbij tegenwoordig was Peter uit Grootgenhout hebbende twee peerden, wonende tegenover Bouwjans en eene menigte andere mannen uit Geleen wier namen hij niet kende, maar hen uiterlijk wel kon beschrijven. Hij verklaarde met de 5 andere medeplichtigen uit Spaubeek hun aandeel, zijnde een pak kleeren bij eenen Jood wonende aan de Limbrichterpoort te Sittard te hebbén verkocht, waarvan zijn deel bedroeg 6 Schillingen. De beschuldigde noemde den Keukelaer als de man welke, ten teeken van verzameling voor den diefstal „Petri", in het Stammenderbosch het lied speelde op de fluit. Zijn aandeel in dezen diefstal bestond uit 3 ellen doek, 2 vrouwenhemden en 1 manshemd, welk laatste hij met dragen versleten heeft, hebbende het overige verkocht aan eene vrouwe wonende tegenover de kruismolen te Rothem voor den prijs van 3 Schillingen voor de hemden en voor het doek 10 stuivers per el.

113

Sluiten