Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

vm

en zijn redevoering Pro Caelio, en het beeld, dat wjj daaruit van haar krijgen, komt geheel overeen met den indruk, dien wij uit Catullus' dichtbundel ontvangen. Zij was ongetwijfeld een begaafde, en bovendien een bijzonder mooie vrouw; ook voor de dichtkunst had zij talent, waardoor Catullus op de gedachte kwam haar Lesbia d.w.z. een tweede Sappho te noemen; haar zedeloosheid en lichtzinnigheid deden haar echter steeds dieper zinken. Van deze hoogst interessante, maar gevaarlijke vrouw, die een Engelsen letterkundige1) geestig de „belle dame sans merci" noemt, werd de jeugdige Catullus — hij was pas 22, toen hij de 10 jaar oudere Clodia leerde kennen — het slachtoffer.

Lesbia's schoonheid maakte een diepen indruk op den impressionnabelen dichter; hoe groot zijn liefde voor haar was, bewijzen gedichten als 5. 7. 51. Niet lang zou zijn geluk mogen duren: Lesbia bleef haar minnaar niet trouw. De redenaar M. Caelius Rufus, ons wel bekend uit Cicero's Pro Caelio, had Catullus' plaats bij Lesbia ingenomen, en ook anderen, zooals Quintius (c. 82). Verwijdering was het gevolg, maar hoeveel moeite kostte het den idealistischen dichter voor goed met haar te breken! Het 107de gedicht kan ons doen voelen, hoe innig verheugd Catullus was, toen Clodia weer tot hem terugkeerde; ook in 36 klinkt nog een vroolijke toon, langzamerhand echter komt het besef der werkelijkheid; de ondervinding maakt hem sceptisch; in 109 is zijn vertrouwen in haar oprechtheid sterk verminderd, in 70 totaal verdwenen. De dichter had zijn diepe liefde (dilexi turn, te non tantum ut volgus amicam, l sed pater ut gnatos diligit et generos, c. 72. 3. 4.) aan een onwaardige geschonken; het 76ste gedicht is een diep-gevoeld afscheidswoord.

In de hoop dat het zien van andere landen hem Clodia zou doen vergeten en ook om het graf van zijn geliefden broer te bezoeken, die in Troas overleden was, sloot Catullus zich in 57 bij de cohors van den propraetor C. Memmius aan, die zich naar zijn provincie Bithynië begaf. De reis zelf beviel

i) K. Y. TyrreU, Latin Poetry, p. 94.