Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

xn

elegieën- en epigrammendichter, Aemilius Macer (zie Tib.n. 6), de schrijver van verscheidene leerdichten (Ornithogonia; Theriaca; de Herbis), Lygdamus, van wien een zestal elegieën over zijn, Sulpicia en Ovidius.

Messalla was in alle opzichten de geschikte leidsman voor jonge letterkundigen; hij was een verstandig en humaan criticus, bovendien zelf geschoold door langdurige studie der Grieksche redenaars, waarvan hij verschillende in het Latijn vertaalde (Quint X. 5. 2), en, zooals L. Annaeus Seneca, de vader van den beroemden wijsgeer ons vertelt (Controversiae H. 4 8) exactissimi ingenii in omnes sludiorum partes, Latini utique sermonis observator diligentissimus.

Twee vrouwen hebben in Tibullus' leven een groote rol gespeeld: Delia en Nemesis. Uit Apuleiusx) (Apol. 10) weten wij dat Délia een pseudoniem was; haar ware naam was Plania. Sommigen meenen, dat Delia de Grieksche vertaling van Plania ($>$o<; = planus) is, maar als wij bedenken dat Propertius zijn Hostia „Cynthia" noemde, dan is het duidelijk, dat wij in den naam Delia een herinnering te zien hebben aan den Delischen god, die als ideaal van lichamelijke schoonheid beschouwd werd.

De Planii zijn ons onbekend, maar waren, naar alle waarschijnlijkheid, een plebeïsche familie. Delia was niet, zooals Catullus' Clodia, een „dame" uit goede kringen. Haar ontrouw tegenover den dichter was oorzaak, dat deze aan hun verhouding een einde maakte.

In de gedichten van het tweede boek is Nemesis Delia's opvolgster geworden. Ook „Nemesis" is een pseudoniem, maar den waren naam kennen wij niet. Zij was hebzuchtig, en evenmin trouw als de meer eenvoudige Delia

Tibullus' karakter was ongetwijfeld zeer aantrekkelijk; zachtheid, bescheidenheid, eenvoud, waren er de meest

') eadem opera accusent C. Catullum quod Lesbiam pro Clodia nominarit et Ticidam similiter quod, quae Metella erat, Perillam scripserit, et Propertium qui Cynthiam dlcat, Hostiam dissimulet, et Tibullum, quod el sit Plania in animo, Delia in versu.