Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

57

deseritur Cieros, linquont Pthiotica Tempé 35 Crannonisque domos ac moenia Larisaea, Pharsaliam coemit, Pharsalia tecta frequentant rura colit nemo, mollescunt colla iuvencis, non humilis curvis purgatur vinea rastris, non falx attenuat frondatorum arboris umbram, 41 non glaebam prono convellit vomere taurus, 40 squalida desertis rubigo infertur aratris. Ipslus at sedes, quacumque opulenta recessit regia, fulgenti splendent auro atque argento. candet ebur soliis, collucent pocula mensae, 45 tota domus gaudet regali splendida gaza. pulvinar vero divae geniale locatur sedibus in mediis, Indo quod dente politum

35. Cieros s of Cierimn, stad in Thessaliotis; Pthiotica s de verbinding <p& en )f_9- werd door de Romeinen met pth en cth, en niet met phth en chth weergegeven. wordt PthJa (zie Schulze, Progr. Marburg 1891).

37. Pharsaliam i Catullus maakt de 2de a metri causa kort, zooals b.v. Ovidius, Metam. XV, 708 Leucösiam, ofschoon *t Gr. Aewewo-ta heeft.

tecta: „paleis".

38.. rura colit nemo: omdat het feest is.

39. humilis . . . vinea: de wijnranken liepen in sommige streken bv. in Klein-Azië langs den grond; hieraan denkt Catullus.

41. umbram t té ramos.

40. De spondeische rhythme schildert het zware werk. prono: omdat de ploeg naar beneden wordt gedrukt.

43. ipsius t Pelei; ipse is vaak dominus, vgl. 3, 7, p. 83.

quacumque opulenta recessit regia s recedere wordt gezegd van de lange rij in elkaar nitloopende vertrekken; de trvovSttóSlav (vers met spondeus in den 5den voet) dient om de weelderige irmchting van het paleis meer te doen uitkomen.

47. pulvinar . . . geniale i = lectus genialis, „bruidsbed".

48. sedibus in mediis: de dichter denkt aan een Romeinsch huis, waar de lectus genialis in het atrium stond.

Indo . . . dente: ebore. politum> =: ornalum.