Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

70

261—265. De

Bacchantische

thiasos.

anxia in assiduos absumens lumina fletus, cum primum inïecti conspexit lintea veli, praecipitem sese scopulorum e vertice iecit, amissum credens inmiti Thesea iato. 245 sic iunesta domus ingressus tecta paterna morte ïerox Theseus qualem Minoidi luctum obtulerat mente inmemori talem ipse recepit quae turn prospectans cedentem maesta carinam multiplices animo volvebat saucia curas. 250 at parte ex alia florens volitabat Iacchus cum thiaso Satyrorum et Nysigenis Silenis, te quaerens, Ariadna, tuoque incensus amore.

quae turn alacres passim lymphata mente furebant euhoe bacchantes, euhoe capita inflectentes. 255 harum pars tecta quatiebant cuspide thyrsos, pars e divolso iactabant membra iuvenco, pars sese tortis serpentibus. incingebant,

246. Verbind: tecta funesta morte paterna; funesta: „in rouw gedompeld".

249. De dichter keert na de beschaving van de uitwerking van Ariadhe's vloek weer tot haar zelf terug, carlna: wordt sinds Ennius (Ann. 573) voor nawis gebruikt (synecdoche).

250. saucia t van do wonden der Uetde, vgl. Aen. IV, 1 at regtna graot iam dudum saucia cara. Reeds bij Ennius (Tt. 254) Medea ... amore saevo saucia.

261. at parte ex aUa t al op de sprei. Horens: „in den bloei van zijn jeugd", vgl. Catull. 17, 14. volitabat: „snelde toe".

252. Nysigenis« Nysa (N&<ra) wordt genoemd als een stad (ol berg) in Indië, Arabië of Thracië; Dio-nysus = Zeus van Nysa.

SUenis t ss seniores Bacchi comités.

263. tm»« vervult de plaats van een gen. obiectivus = tui. 254. Hiervóór is een vers verloren, waarin van de vrouwen gesproken werd, die Bacchus volgden.

265. euhoe: eiel, uitroep van Bacchantische geestvervoering.

266. tecta cuspide thyrsos: de van een ijzeren punt voorziene staf; daar de staf met klimop bedekt was, was de punt onder het groen verscholen.