Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

174

qualem purpureis agitatam fluctibus Hellen, 5

aurea quam molli tergore vexlt ovia quam tünui, ne forte tuum mare nomen haberet

atque tua labens navita fleret aqua! quae tum ego Neptuno, quae tum cum Castore fratri,

quaeque tibi excepi, iam dea Leucothoe! 10 quod si forte tuos vidisset Glaucus ocellos,

esses Ionii facta puella maris, et tibi ob invidiam Nereides increpitarent,

6. qnalem . .. Hellen s men zou verwachten vidi Ut... talent ducere manus, qualis erat Helle, quam ... vexlt; er heelt echter attractie van 't relativum plaats.

purpureis . . . fluctibus t vgl. het Homerische x&fi* xopfópeov (Uiaa L 481), hetgeen glinsterend beteekent, en gevormd is van denzelfden stam als ropfCifW, Ut ben in onrustige beweging; het duidt niet de kleur van het water aan; „dit kan nl. wel enkele malen korten tijd door bizondere omstandigheden een purperen schijn hebben, maar daarvoor gebruikt Homerus niet een epitheton". (Dr. Mendes da Costa, Verklarende aant. op het eerste boek v. d. Uiaa p. 66).

Uit het vers van Furius Antias, aangehaald door Gellius XVHL 11 spiritus Eurorum virides eum purpura! undas, dat Gellius verklaart ventus mare caerulum crispicans (= in trillende beweging brengend) nitefadt, ziet men dat de Romeinen, wanneer ze het epitheton van de zee gebruiken, dachten aan het glinsteren der zee.

Dat purpureus „roodachtig schitterend" vertaald kan worden, blijkt uit Aristoteles' verhandeling over de kleuren (19), waarin wij lezen, dat door het lichteffect der zonnestralen <p*u>tTeu i) SwAfltTTa xop(puposidr)q.

7. tuum mare nomen haberet: evenals de Hellespont zijn naam van Helle kreeg; tuum behoort bij nomen.

8. labens» labi wordt vaak gebruikt van het „varen" van schepen, bv. Prop. TV, 6, 44 invito labitur illa mari.

9. cum Castore fratri t — Castori fratrique; vgL Catull. 4, 22, p. 4. 10. excepi i Sa suscepi vota.

lam dea Leucothoe t Leucothea (door Propertius Leucothoe genoemd) was de naam van Ino, de stiefmoeder van Helle en Phrixus, nadat zij zich vluchtend voor haar waanzinnigen echtgenoot in zee geworpen bad. iam: „nu".

13. Glaucus z een zeegod, vgl. Ov. Met. XTfl, 898—906.