Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

242

rettulit hirsutis bracchia secta rubis, et sua Tarpeia residens ita flevit ab arce

vulnera vicino non patienda Iovi: 30 'ignes castrorum et Tatiae praetoria turmae

et formosa oculis arma Sabina meis, o utinam ad vestros sedeam captiva penates,

dum captiva mei conspicer ora Tati. Romani montes et montibus addita Roma 35

et valeat probro Vesta pudenda meo. illa equus ille meos in castra reportet amores,

cui Tatius dextras collocat ipse iubas.

28. rubis: het geheime pad, waarlangs Tarpeia afdaalde, was met braamstruiken bedekt, vgl. vs. 48.

29. Tarpeiai de later aldus genoemde: prolepsis.

30. non patienda Iovi t „die Iuppiter niet kon vergeven"; de dichter voorspelt Tarpeia's droevig einde als straf voor haar verraad.

31—66. Deze monoloog van Tarpeia bestaat uit drie gedeelten: nadat zij de vuren der legerplaats tot getuigen aangeroepen heeft, spreekt zij den wensch uit, dat Tatius haar op zijn paard naar zijn tent moge brengen. Het tweede gedeelte vs. 39—52 is een monoloog, waarin zij het vóór en tegen van haar handelwijze tegen elkaar afweegt, op de manier van Ovidius: vs. 39—42 (voorbeelden van meisjes die evenzoo handelden); va. 43, 44 (tegen); vs. 45, 46 (mijn dienst kan ik niet verrichten, mijn liefde is mij te sterk). In het derde deel vs. 47—46 overdenkt zij hardop het plan, dat zij Tatius, die nu natuurlijk niet aanwezig is, wü voorstellen.

31. Tatiae turmae: het leger van Tatius.

33. vestros < o Sabini.

34. captiva: „als gevangene".

36. Vesta pudenda: „voor wie ik mij thans moet schamen".

37. meos amores: - me amantem, I, 20,15 error Herculie = Hercules errans.

38. dextras: Vergilius beschrijft in de Georgica (in, 85—86) het vurige paard aldus: collectumque fremens volvit sub naribus ignem: / densa iuba, et dextro iactata recumbit in armo.