Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

267

IV. 11. DE CORNELIA-ELEGIE.

Cornelia, de dochter van P. Cornelius Scipio Nasica en Scribonia, Augustus' tweede vrouw en moeder van Iulia, troost in dit gedicht, dat den vorm van een laudatio heeft, haar echtgenoot L. Aemilius Paullus Lepidus, den broeder van den Triumvir M. Aemilius Lepidus, over haar vroegtijdigen dood. Zij had twee zoons, L. Aemilius Paullus en M. Aemilius Paullus, en een dochter. Haar man was in 22 v. Chr. censor; haar broeder P. Cornelius Scipio was in 16 v. Chr. consul met L. Domitius Ahenobarbus; in dat jaar stierf zij. Men kan dus aannemen, dat het gedicht in 16 v. Oir. ontstond.

Desine, Paulle, meum lacrimis urgere sepulcrum: 1

nempe tuas lacrimas litora surda bibent; 6

cum semel infernas intrarunt funera leges, 3

non exorato stant adamante viae. 4

te licet orantem fuscae deus audiat aulae: 5

panditur ad nullas ianua nigra preces. 2

vota movent superos: ubi portitor aera recepit, 7

obserat berbosos lurida porta rogos.

IV. 11. 1. Het begin herinnert aan Verg. Aen. VI, 376 desine fata deum flecti sperare precando. meum . . . sepulcrum: = manes meos, cl. CatuU. 96, 1. urgere t „lastig vallen", „geen rust gunnen" vgL Horat. Carm. H, 9, 9, waar de dichter zijn vriend Valgius Rufus, die zonder ophouden over het verlies van den knaap Mystes klaagde, toeroept tu semper urges flebilibus modis / Mysten ademptum.

6. litora surda: „de oever van de Styx".

8. funera: „de dooden", „de zielen", infernas leges: „het rijk der onderwereld".

4. non exoratoi = inexorabili. stant; „staan onwrikbaar vast".

adamante: adamas, „staal", het „onbedwingbare" (kSa/nag) metaal.

viae: »» fores inferorum. \ 5. deus: Pluto.

2. panditur: ad emittendum mortuum. Hij Homerus (Uias VEI, 367) wordt Hades een rüAaprriQ (deursluiter) genoemd.

7. portitor: Charon. aera: men legde den doode een obool in den mond als veergeld, vgl. Aristoph. Ranae, 140.

8. herbosos . . . rogos: „het met gras begroeide graf".