Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

Is een straf, omdat ons volk den dienst des Heeren heeft verken en zijn brave Oranje het land heeft uitgejaagd." Jan had geluisterd. Het was de oude geschiedenis, die grootlader zoo vaak had verteld van de domme Hollanders die in 795 zelf de Franschen in 't land haalden, omdat ze „vrijheid, elijkheid en broederschap" zouden brengen. Maar ze hadden sugens meegebracht.... Immers diezelfde Franschen waren nderdrukkers geworden.

■Doch grootvader had nog meer verteld en juist hierover was et, dat Jan op den donkeren zolder te peinzen stond. ■Grootvader had gezegd: „En toch, jongen, kon 't wel eens geeuren, dat God den trotschen Napoleon Zijn „Tot hiertoe en let verder!" had laten hooren. Sinds den tocht naar Rusland, die lo droevig afliep voor al de arme, jonge kerels, die...."

Grootvader had toen een oogenblik gezwegen; tante Leen had lar breiwerk even neergelegd en grootvader verdrietig aangekken. Ja, Jan wist het wel, waaróm die woorden zulke droeve Idachten wekten. Frans, zijn goede, vroolijke broer Frans, lag lar immers óók ergens begraven in 't verre land, misschien wel erscheurd door de wolven of verdronken met duizenden anderen I die groote rivier.... Ze hadden nooit iets van den armen

ngen vernomen.

[Toch was grootvader weer doorgegaan: „Sinds Napoleon's Iderlaag loopen er allerlei geruchten. Men zegt, dat hij weer In groot leger heeft aangeworven en zijn vijanden, de Russen i de Pruisen en de Oostenrijkers, ergens in Duitschland zal aandien, en men zegt ook, dat hij 't wel eens verliezen kan, want nn oude, trouwe krijgers zijn in Rusland gebleven en zijn nieuwe lldaten zijn maar in der haast uit alle landen, die hem onderproen zijn, bijeengeraapt, 't Zijn jonge, ongeoefende conscrits, Ie t oorlogvoeren onderweg nog moeten leeren, en — 't zijn jingens, die alleen vechten omdat ze moeten, niet omdat ze hun Udheer gehoorzamen uit liefde voor hun vaderland.

I Wat scheelt hun die keizer, die al zooveel ellende bracht

■les dient tot zijn eigen eer. Ze zouden liever tegen hem strijden,

Is ze maar konden, als ze maar durfden "

liiMaar" — en in grootvaders oogen was een vreemde gloed pkomen; de oude man was opgestaan en had onrustig de kamer len neer geloopén; eindelijk was hij blijven staan voor een oud brtretje van Willem den Zwijger, dat in een donkeren hoek van ■ kamer hing; hij had zijn hoofd geschud en gemompeld: „Maar

Sluiten