Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

donkere diepte, maar daar, om den hoek, is 't veilig, daar is hij tusschen de huizen in en hij weet er goed den weg ook .... Zijn schatten voert hij angstvallig meê.

Hu! .... Jan wankelt, moet zich vastgrijpen aan de dakpannen. Daar vloog hem iets zwarts tusschen de beenen door, en een nijdig geblaas sist door de stilte, een paar gloeiende oogen kijken hem aan ....

't Is grootvaders oude kater, die in 't hoekje van de dakgoot had zitten droomen en door Jan op den staart was getrapt.

Jan was vreeselijk geschrokken. Hij hijgde naar adem, maar toch — schrikken was nergens goed voor. Hij moest verder om een veilig plekje te zoeken. Ginds wist hij er wel een, achter het uitstekend muurtje van buurmans plat. Hij sloop verder.

Toen kwam weer een nieuwe, bange gedachte hem beangstigen.

Zouden grootvader en tante Leen niet vreeselijk schrikken, als ze met de Franschen naar boven waren gekomen en zijn bed leêg vonden? Als tante Leen nu maar beneden bleef. Die was altijd zoo schrikkerig en zoo bang, dat hij een ongeluk zou krijgen. Zij zou het mooie plan geheel doen mislukken.

Jan huiverde toen hij er aan dacht, dat mogelijk straks het zoldervenster zou open knerpen en er zoo'n Fransche snorbaard hem in de goot zou kunnen nakomen, als zijn vlucht gemerkt werd ....

Maar Jan's lippen klemden zich opeen, zijn armen wrongen zich vaster om zijn schatten heen, en hij mompelde vastberaden: „Ze hebben me maar zoo dadelijk niet, en — als ik niet verder kan, dan smijt ik alles maar ergens naar beneden .... Hébben zullen ze 't niet . . . ."

Kon hij maar eens even zien, wat er op den zolder gebeurde... Wacht, dat was waar ook, ginds, achter den schoorsteen, moest een gat tusschen de pannen zijn. Daar doorheen was dezen zomer eens een jonge huismusch naar binnen gekomen. En 't zou nog wel niet gemaakt zijn; grootvader was te arm geworden in de laatste jaren om werkvolk in zijn dienst te hébben.

Zou hij even zoeken, en even, héél even probeeren naar binnen te gluren?

Hè, het zink van de goot hier knoerpte telkens; als ze 't daarbinnen maar niet hoorden. Maar ze maakten zoo'n leven met hun gestommel en gebabbel, dat ze 't wel niet merken zouden.

Daar? .... Ja, ja! Daar was 't gat.

Sluiten