Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

69

hebben ze den goeden, ouden man meegenomen. Kom Jan, jij moet.... je weet het wel, hè?"

Hij was een streng heer, meester Volkertsz, en ofschoon de jongens eigenlijk bang voor hem waren, droegen zij hem toch geen kwaad hart toe; ze hadden onbewust achting voor hem. Een oogenblik begrepen ze nu den medelijdenden toon van De Roever, toen hij dat: „Ouwe stakker" zei, en ook in hun hart brandde het medelijden op.

Stil gingen ze heen. In de straat naderden nog andere kameraden. Karei begon weer: „Zeg, we moestèn dien Jacques, dien valschen spion...."

„Karei, Karei! Wacht even," riep een stem.

Karei keek om en zag nog juist Jan, die door zijn tante het huis werd binnengetrokken, wenken.

„Ik kom!"

Karei ging terug. De anderen keken even, slenterden langzaam door.

In de verte klonk tromgeroffel. Door de echo van het geluid tusschen de huizenrijen, konden ze niet dadelijk de richting vanwaar het kwam bepalen. Dan maar naar het Vreeburg, daar zouden ze t wel beter hooren. Juist iets voor hen op den vroegen vrijen morgen. '

De Jacobitoren wees acht uur.

Tante Lena had Jan boos naar binnen getrokken. „Zoo n roekelooze treuzelaar. 'k kan *t me niet begrijpen." Maar toen Karei van Merleveld alleen terugkeerde, bedaarde haar boosheid. Ifte was te vertrouwen.

Enkele minuten later stapten de beide jongens de stoep af. Jan droeg een groot pak onder zijn arm — en mopperde.

Karei ging een eind mee.

Dat was leuk. Nu kon Jan vertellen.

Sluiten