Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

„Nou, goed dan."

Ze stonden op. Jan sjouwde zijn pakje weer mee.

Plotseling drongen de menschen op den wal allen in één richting. Langs den Leidschen Rijn naderde een ruiter in wilden galop.

Zou 't de post1) zijn? Men vroeg, men reikhalsde, men drong op....

, Neen, 't was een Fransch soldaat, een koerier. Tsa, wat galoppeerde die kerel er over! Diep over den hals van zijn paard

gebogen keek hij om noch op. Zijn groote huzarenmuts hing hem schuin op 't hoofd gezakt, de lange huzarensabel kletterde wild tegen t zadel. Het paard, met den half geopenden schuimenden bek, scheen den grond bijna niet te raken. Als een wervelwind stormde de ruiter voorbij, op de Catha-

1) In Napoleons tijd werden de brieven door ruiters of in met twee

s«.«eis met vier — paarden bespannen postwagens verroerd. Langs de hoofdwegen van het rijk waren op bepaalde afstanden posthuizen ingericht. De postmeesters moesten zorgen steeds versche paarden tot hun beschikking te hebben. De postrijder — de „grand courier" — was de koning van den grooten weg.

Sluiten