Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

105

bevend van blijdschap: „Daar is t-ie nou! Moeder, daar is t-ie nou!.... Frans," — hij begrijpt de voorzichtigheid van zijn broer. Moeder mag het niet zoo dadelijk hooren, dat Frans terug is, ze zou misschien een ongeluk krijgen van schrik.

Maar Jan weet wel een anderen weg. Al is het donker, hij zal t maar wagen.

Hij heeft zijn schoenen al aan, zijn broek en zijn kiel zijn al vastgeknoopt. Daar gaat-ie. De latten, waartegen de druivenwijngaard langs het huisje klimt, kraken; er breekt er een onder zijn voet, maar zijn knuisten houden stevig vast. Het flauwe maanlicht, dat door de dunne wolkenflarden schemert, glimt op de ritselende bladeren. Dieper daalt de waaghals.

„Pas op!" klinkt het van onder de vlierstruik.

Krrak! Daar breekt de lat, waaraan Jan zich met beide handen vastklemt, en hij slaat naar beneden tusschen de bessenstruikén in. Hij ploft neer, maar — springt weer op; hij let niet op pijn of gescheurde kleeren. De val was gelukkig niet hoog.

Hij was bij Frans. Daar was *t hem om te doen. O, hij had hem wel om den hals willen vliegen, en hem willen vragen, honderd dingen tegelijk, en hem willen vertellen, alles alles ineens.

t-Haal: w hij.°'y.Frans !s' is cr even- heeI even, een vreemde sülte. t Weerzien is zoo plotseling, en 't is ook lang geleden, dat

ze samen waren

Frans steekt Jan de hand toe. Die hand is klam en zij beeft,

Sluiten