Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

123

trouwe kameraden, met hem ingestemd. Die Amsterdammers waren al in vollen opstand en ze hadden hen, de respectabele, dappere Franschen, als 't ware hun stad uitgejaagd. Als de Burger-Garde hen straks niet beschermd had, en hen bij de Berebyt aan den Amstel niet veilig in de schuiten had gebracht,

was die rebellenbehde zeker wel op hen aangevallen 't Was

nu toch maar goed, dat Utrecht al in 't zicht kwam. Daar was alles kalm, daar konden ze zeker nog wel een tijdje den baas spelen. In Amsterdam was 't gedaan.

Sterven voor den keizer? Raaskalde die oude dwaaskop?

't Scheelde hen niets, of Napoleon over den kop ging. Weineen, hij was toch niet meer te redden. En zij? Ze hoopten hu maar, dat het in Utrecht, of liever nog ergens anders, in een kleiner stadje, waar ze de burgers gemakkelijker den baas konden blijven, tot oneenigheid kwam, en dat ze aan 't bakkeleien raakten met de inwoners. Wel ja, dan was er voor een soldaat nog eens wat te verdienen. Dan konden ze nog eens naar hartelust plunderen en rooven, vóór ze voorgoed naar Frankrijk terug werden gedrongen. Uit Pruisen dreigde 't groote gevaar.

Vroolijk schaterde hun lach op, toen de oude kurassier, nog eens, vol drift, en met verachting in zijn oogen voor die lage kerels, die de eer van hun uniform niet waard waren, zijn „Vive 1'empereur!" uitbulderde.

„Allons, vorte, vorte!" schreeuwden ze tegen den schuiten jager. Ginds werden, als vage schaduwen, de torens boven de stad al zichtbaar. Utrecht was rijk, zeide men. Wie weet, wat daar nog te halen viel. En de officieren keken ook zoo nauw niet meer. Ze wisten 't misschien nog beter dan de soldaten, dat het baasspelen op een eindje liep.... Waarom zouden ze dan niet goedvinden, dat er nog geplukt werd, wat er maar te plukken viel? „Allons, vorte, vorte!"....

De oude snorbaard had een plaats gezocht in 't kleine voorroefje van de jaagschuit. Daar zat hij, in diep gepeins verloren, voor zich uit te staren over 't sombere grijze water, dat traag scheen aan te stroomen en dan ineens nijdig tegen de boeg opklotste, bij eiken ruk van 't jaagpaard.

In-zijn ziel schrijnde het wreede verdriet. Hij gevoelde zich als een verarmde prins, die gedoemd is zijn leven onder bedelaars te slijten; onder hebzuchtige schelmen, die lachen om alles wat groot en hoog en edel is. In stilte verwenschte hij zijn lot, dat hem hier in Holland, dat triestige land van mist en modder en regen, had

Sluiten