Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

21

„Domme jongen!" bibbert zijn stem „*t Geeft zóó niets;

vlucht, als Jan, over de daken!. ..."

„Deksels! Dat is 'n idee! Stom, dat we daaraan niet eerder

dachten. Allo, Frans, naar boven!" fluistert De Roever en trekt Frans mee.

„Nog even geduld," zegt Van Merleveld, „ik geloof, dat ze voorbij gaan; mogelijk hebben ze niet opgemerkt, waar je zoo snel binnengestoven bent. Luister, ik geloof het waarlijk."

Frans is weer op de bank neergezegen, uitgeput door dien langen, wilden wedloop. Maar even toch treft een dankbare blik van zijn oogen zijn ouden grootvader, wiens gebogen gestalte daar donker afsteekt tegen de lichte deuropening. Die goede grootvader vond toch het béste plan.... Als ze komen, ia, dan kunnen de daken misschen schuilplaats geven, als vroeger aan Jan. s

't Stemmenrumoer gaat waarlijk voorbij. Vloeken en verwenschingen en bedreigingen klinken; men bonst op de deuren ot er ook een openstaat; het deurschelletje van den bakkerswinkel rinkelt . . Eén roept: „Daar daar gaat hij!" en de

troep snelt verder de richting van 't Vreeburg in. Mogelijk heeft een donkere gedaante, die ze in de duistere verte bespeurden hen m den waan gebracht, dat dat het nagejaagde wild is

„Dood of levend, hebben zullen we hem!" schreeuwt er een

Frans moet vertel len

Naast grootvader zit hij in de rustige, warme kamer; vreemd m zijn havelooze plunje tusschen die nette burgermenschen en bi, dien voornamen mijnheer; grootvader ziet vol trots naar

uvSF'-j ante Lena schudt nu en dan het hooW van al de akeligheid, die ze moet aanhooren; mijnheer Van Merleveld en De Koever luisteren en er is een stille goedkeuring in hun blik verhaal ^ cenvoudigen jongen met zijn eenvoudige

Frans schijnt nu wel veilig. De stilte van de straat is niet meer door rumoer van halfdronken soldaten verbroken. Het zolderluikje staat open, en alles is gereed om Frans' vlucht te verzekeren, als er nog eens nieuw onheil mocht dagen.

Hi, vertelt, hoe hij dien dag, uitgeput van zijn tocht van Amsterdam naar Utrecht, en nadat hij een brief van den Amsterdamschen kolonel Van Brienen bij den heer van Sngen-

Sluiten