Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

24

„Neen, jongen, dat begrijp ik, zulk canaille!" gromde De Roever weer.

„Nou dan, ik gaf hem een stomp tegen zijn borst, en misschien is 't wel een beetje hard aangekomen, dat weet ik niet, want 'k was vreeselijk driftig, maar de sukkel viel achterover met zijn hoofd tegen zoo'n steenen muurtje langs de werf, aan de Oude Gracht; u kent ze wel...."

„Ja, ja, en toen?"

„Toen kreeg je de poppen aan 't dansen; toen keerde de drift van de Veliten zich tegen mij, want hun makker liep het bloed langs den kop.

'k Had mijn kast al neergezet, want vluchten was onmogelijk en weldra werd ik door drie, vier van die melkmuilen aangevallen;

maar ik kreeg hulp van andere burgers, 't Werd me een hevige kloppartij, en ik vergat het gevaar en ik vergat de voorzichtigheid. Ik beukte er maar op; waar dat kind zoo gauw gebleven was, weet ik niet."

„Arm stakkerdje," klaagde tante Lena, „misschien heeft die grootmoeder...."

„Toen naderde een patrouille1), die dadelijk op ons afkwam. Ik schrok. Daar had je nu 't gevaar, en ik wilde al vluchten, toen

*) Na het Oranje boven-geroep en de vechtpartij tusschen Veliten en burgerjongens dien morgen, had Molitor streng patrouilleeren bevolen en elke samenscholing van meer dan vijf personen verboden. Hij duchtte meer dan ooit het uitbreken van een oproer.

Sluiten