Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

HOOFDSTUK XII.

GEURTSZ.

't Was op een stormachtiger! avond, een week later, dat Frans Pommer uiterst behoedzaam door den tuin van „Rhijnsoever sloop, en zich achter het koepeltje verborg, waarvan Geurtsz de meeste ruiten had uitgesneden. Langs dat tuinhuisje leidde een pad den boomgaard door; en Frans wist, dat aan t einde daarvan, een goede gelegenheid was, over de breede sloot te komen, die ..Rhijnsoever" van de boerderij ,,'t Kraaijennèst scheidde.

De wind joeg door de kale takken der boomen; zwiepte ze meedoogenloos neer, tot ze zich kreunend weer ophieven om sidderend zijn nieuwe vlagen af te wachten. Hier en daar kraakte en knapte 't en stortte een zwakkeling naar beneden, ot bleet in de armen van sterkere makkers hangen.

Frans zat te turen en te luisteren, maar die loeiende wind Overstemde bijna elk geluid. Dubbel op ziin hoede moest hij zun. Het brandend lantaarntje, dat hij, voorzichtig weggeborgen onder ziin jas, bij zich droeg, en dat even een flauwen lichtschijn tusschen dé struiken wierp toen een tip van de jas opwoei, werd nog veiliger weggestopt; de knoestige doornstok werd nog eens wat zekerder dicht bij de hand gelegd; het ruiterpistool, dat hij bij

zich droeg „Wel neen, dat zou immers met noodig zijn.

Hij wachtte op Harmen Geurtsz, die nieuwe schelmenstreken had uitgehaald. In den bongerd waren verscheidene boomen tot op den kern ingezaagd; bijna alle stamrozen van den tuin waren uit den grond getrokken; een marmeren bloemvaas lag gebarsten naast het voetstuk; in moeders moestuin waren de boerenkoolstruiken vertrapt en — de schurk scheen ook door een keukenraam heen, de huizinge bezocht en toen den steenen vloer van den kelder opgebroken te hebben. Hij had daar zeker begraven

Sluiten