Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

33

zoo! Nog een eindje dichterbij, man. Waar zou je nu het eerst aan beginnen?.... Sta je nu weer stil? Maakt de wind je bang? 't Is een uitgezochte nacht voor sluipers als jij. ... Vooruit nou, talm nou niet. Toe nou! Zoo dadelijk licht mijn lantaarn je in je tronie. Wat zul je schrikkenj...."

Jammer, jammer! Hij houdt het pad niet, maar wijkt af, kruipt door wat struiken heen in de richting van het heerenhuis. Nu en dan, als Geurtsz een wat lichtere plek passeert, kan Frans hem zien.

„Dan je achterna, man...." Frans sluipt weg. Hij verliest den boer uit het oog, maar bespeurt hem al dra weer. Ze zijn nu dicht bij den ,,drommedaris."

Wat is dat toch voor vreemd geluid? 't Is hetzelfde als daarstraks, maar wat sterker. Frans schrikt van zijn eigen gedachte. Was het soms 't geluid van soldatentroepen, die naderden? 't Leek zoo veel op dat eentonig voetengeschuifel van een lange colonne, zooals 't Frans' moede hersens vaak pijnigde, toen hij als Fransch soldaat meezeulde in den troep op de eindelooze marschen.... 't Lijkt er wel op, ja. Maar kom, verbeelding zal 't wel zijn.

„Ah.... ga je daarheen? Naar die fontein met de marmeren engeltjes? Wil je die vernielen, schelm? 't Zal je berouwen man...." Tsa, daar ketst de bijl al tegen den steen.

Frans vliegt op, rent op den boer aan en buldert hem toe: „Sta ....Harmen Geurtsz!" Het licht van de plotseling opgeheven lantaarn straalt den man, die zich hevig verschrikt heeft omgekeerd, in 't gelaat.

Geurtsz beeft van ontsteltenis, zijn armen grijpen in de lucht, en zijn lippen, die spreken willen, trillen.

„Nou ben je er bij, man; mijnheer Van Merleveld weet nou,

wie de schelm is, die hier alles vernielt."

„Wa-wat?" stamelde de boer. „Wat moet jij van me? Wie

ben jij? " Toch kreeg hij zijn tegenwoordigheid van geest

terug. De bijl flikkerde in 't lantaarnlicht en Geurtsz' arm maakte een verdachte beweging, maar vóór hij het scherpe wapen heffen kon, striemde Frans' stok door de lucht en kwam met zoo'n 'Aevigen slag neer op den arm van den boer, dat deze met een pijnlijken kreet de bijl vallen liet.

Frans, die elke beweging van Geurtsz had gevolgd, en zelf veilig wegschool in den donker achter den dichten kant van 't lantaarntje, beet hem toe: „Néér dat ding! Laat liggen dat ding! Ik zal het toonen als bewijsstuk aan mijnheer Van...."

Van HoUandsche Jongens in den Franschen Tijd, II. 3

Sluiten