Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

43

pen. 't Was doodstil op 't boerenerf; ook daar was alles gesloten. Éénmaal had Frans den boer naar den stal zien strompelen, op een stok geleund. Zijn been scheen dus niet gebroken te zijn.

De toestand hier bleef hoogst gevaarlijk, ofschoon de invallende duisternis, de kans op plundering, — althans van de buitenplaats, — verminderde. In den donker toch was het tuinmanshuisje nauwelijks, en de deftige huizinge van den weg af in 't geheel niet te zien.

Maar — ook die zelfde duisternis gaf den schurken beter gelegenheid zich van hun troep af te zonderen en op roof uit te gaan. En 't was nu ook heel iets anders dan toen, maanden geleden, het troepje soldaten hier rondgesnuffeld had. Toen zaten ze nog onder Molitors strenge krijgstucht, nu schenen ze losgelaten te zijn als hongerige wolven.

Als „Rhijnsoever" hen eens in 't oog viel en de duisternis hen begunstigde? Frans' vuisten balden zien, zijn hart klopte heftiger.

„Schurken!" siste hij, „O, als ik kon...." Maar hij glimlachte mismoedig om zijn eigen heftigheid. Wat moesten ze beginnen? Hij en Jan en.... moeder, tegen die niemand en niets ontziende plunderaars?

„Kom, Jan, help me eens." Samen sjorden ze nog een zware eikenhouten gangbank tegen de deur. Wat zou 't baten?

Jan had moeder een veilig schuilplaatsje aangeraden. „Als ze komen, moeder, moet u maar gauw in den „drommedaris" kruipen, heusch, daar vinden ze u vast niet. Ik heb een steenen pad gelegd, en dan zullen wij wel

Moeder had 't hoofd geschud. „Neen, jongen, ik blijf bij jullie...."

Jan had in moeders oogen geen angst meer, maar een vreemde gerustheid gezien. Was ze niet bang? Hoe kwam dat? Hij wél.... In de verte naderde weer een troep zingende soldaten. Ze kwamen van Woerden.

In den schemerenden avond rijdt een forsch gebouwd Fransch ruiter in stevigen draf langs het jaagpad van den Leidschen Rijn. Hij komt van Utrecht,

rukkende Oranjesoldaten om 't hart was geslagen es hij van elke poging tot verweer zou afzien. Utrecht lag nu aan de beurt om ingenomen te worden, dacht men, maar — toen de zorgelooze Gardes in Woerden nog sliepen, vielen de 1600 man sterke troepen van Molitor, onder bevel van kolonel Falba, reeds de zwak bezette Utrechtsche poort aan, of trokken het stadje om en stormden als roofdieren binnen.

Sluiten