Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

47

een jolige soldatengrap. Overwinnen maakt opgewonden.

„Kom binnen, oude ijzervreter, misschien kan jij dat wijf wel tot rede brengen. -Dan deel je ook meê," klinkt een stem hem tegen.

Een oogenblik blijft hij staan, zonder te begrijpen, wat er eigenlijk voorvalt in de kleine kamer. Ginds, bij dat groote heerenhuis, hoort hij ook stemmen. Wat voeren de kerels hier toch uit?

Maar dan wordt het hem plotseling duidelijk.

Schurken zijn hier bezig; en 't schijnt dan toch waar te zijn, wat er vandaag in Utrecht verteld werd, dat Woerden is uitgeplunderd en uitgemoord. Hij had 't niet kunnen gelooven. Nu ja, een eerlijke buit, op den vijand veroverd, is krijgmansloon, maar er waren vrouwen vermoord en mannen, die om genade smeekten; ze waren mishandeld uit louter moordzucht.... Neen, hij had 't niet willen gelooven, maar nu scheen 't hem de harde waarheid, die lafaards! Ook hier zijn ze nu aan den gang.

Kijk, hoe zoo'n dappere kerel die vrouw de polsen omdraait, dat ze zich kromt over den grond en 't uitkreunt van pijn. Kijk, die valsche kerel, 't Is nog wel een onderofficier. Ah, hij kent hem, 't is die met de dikke wenkbrauwen van het 4de Bataljon. Hoe hij die vrouw pijnigt! Ze moet wat zeggen of wat geven. En die andere helpen hem; ze houden haar vast....

„Los, los!.... Laat haar los!" buldert de kurassier; zijn diepe, donkere stem brult over al 't rumoer heen. Z'n lichaam trilt van plotselinge woede, en met een sprong is hij tusschen de soldaten in. Twee tegelijk grijpt hij er vast in zijn ijzeren vuisten en slingert ze achteruit. Dan bukt hij zich over den neergeknielden onderofficier en rukt hem aan zijn hoofd terug, dat hij over den grond heensparteit. De vrouw is vrij.

Maar dan keert de woede der soldaten zich met dubbele heftigheid tegen dien plotselingen spelbreker.

De onderofficier is al opgevlogen. „Wat? Wie ben jij?.... Insubordinatie: jij hebt je meerdere geslagen, man. Dat zal je berouwen. Er uit, met dien kerel."

Dan vliegen ze op hem aan, ze trappen en slaan hem, ze lachen om hem, 't is ook maar een gewoon soldaat, wat bezielt dien vent? Ze dringen hem met hun vieren, vijven naar de deur.

Hij wankelt achteruit; hij voelt zich slaan op zijn borst, in zijn gezicht, en hij hoort die stem: „Jij hebt je meerdere geslagen." 't Is hem een oogenblik vreemd te moede. Hij, zoo'n trouw soldaat, heeft zijn meerdere geslagen. .. . Toch is 't, alsof er iets breekt

Sluiten