Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

49

en de troep Franschen, die dieper den tuin in zich ophield, komt op dat plotselinge wapengekletter en geschreeuw ook aanrennen. Een boer op een stok geleund, strompelt mét hen mee.

Er knalt een schot.... „Neen, niet schieten," beveelt een stem, „te water met den heethoofd, hij moet voor goed afkoelen...."

En verder dringen ze hem achteruit. Zijn paard heeft zich schichtig losgerukt en is den weg naar Woerden opgehold.

Woest komen zijn slagen neer. Eén van zijn aanvallers is reeds met bebloeden kop ineengezakt. Maar de overmacht is groot; wat moet één tegen dertig?

In blinde woede verdedigt hij zich, weet eigenlijk niet eens meer, waarom hij zich verdedigt. De vrouw is hij vergeten, den dankbaren blik van die jongensoogen ook. Hij voelt alleen de verachting, die haat werd, voor die ellendige voetknechten. Nu barst de lang verlapte afkeer tegen hen uit. Bah! Waren dat zijn makkers? De kerels, die lachten om den keizer, lachten om soldateneer; die hunkerden naar roof?

Zijn oogen zijn met bloed beloopen, zijn linkerarm is doorschoten, zijn knie is gewond. Hij vecht! Een kurassier van Napoleon kan vechten. Een kurassier van Napoleon is een meester op den sabel. Zijn slagen vallen als hagel op het koren.

Zijn aanvallers deinzen terug, maar dringen weer op, en dichter komt het donkere water. ... Dan struikelt hij... .

Een slag met een geweerkolf treft zijn hoofd en een roode nevel, als van bloed, verduistert zijn oogen. „Te water, dien kerel!" schreeuwt de bende. Maar door die kreten heen klinkt een andere stem, schril van angst. De kurassier hoort die stem, en hij voelt zich onder de schouders grijpen en zich wegslepen een eindweegs. En een vreemde huivering van afkeer, en van blijdschap tegelijk, vaart hem door de leden. Hij herkènt die stem: 't is Frans Pommer, de deserteur, de ontrouwe. ... Die wil hem redden.

Jean Larousse richt zich nog éénmaal op; met inspanning van

al zijn krachten rukt hij zich los uit Frans' greep. „Weg!

Ga weg! " stamelt hij, maar de bloedige nevel omsluiert zijn

denken; hij stort voorover en drie, vier worstelende mannen vallen over hem heen.

Trompetten klinken in de verte. Jean Larousse hóórt ze niet meer.

„Heb je hem nog niet gezien?" vraagt moeder zacht aan Jan, die

Van HoUandiche Jongens ln den Franschen Tijd. II. 4 ?

Sluiten