Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

52

weggerukt, hem in een hoek neergetrapt, en in zijn wilden angst om zijn moeder was hij den weg opgehold. Zou er dan niemand

zijn, die helpen kon? . , .

.Mijnheer Larousse!" fluisterde Jan opmeuw de bedstee in, en in zijn stem was de blijde klank van groote dankbaarheid. Ja, moeder had gelijk, 't was de Hemelsche Vader, Die dezen braven man haar tot redding had gezonden.

Hoe 't verder gegaan was? Ja, Jan wist het met goed. Ue soldaten hadden den kurassier de deur uitgestompt, en op den weg was er vreeselijk gevochten, dat wist hij wel, maar hij had zijn moeder, wie de schurken al een touw om den hals hadden gewrongen, moeten helpen. Later, toen een nieuwe troep, meer geregeld marcheerende soldaten was voorbij getroldten, waarbij die rooversbende zich zeker had moeten aansluiten, hadden zij, ziin moeder en hij, den zwaar gewonden kurassier op t jaagpad zien liggen. De Franschen hadden hem misschien maar aan zijn lot overgelaten, meénende dat hij toch gauw sterven zou. Maar moeder en hij niet. Ze hadden hem met veel inspanning samen naar binnen gesleept en hem eindelijk in de bedstee weten te tillen. Hè, nu moest Frans ook komen en hem zien!

„Mijnheer Larousse, slaapt u nog?.... Moet u drinken? Jan had een zwak antwoord gehoord. Hij schoof de gordijnen nu geheel open. 't Licht viel op het bleeke gelaat met de gesloten oogen en den pijnlijk vertrokken mond....

Larousse? Riep hem daar iemand bij den naam? Ue gewonde bewoog zich en trachtte zijn oogen op te slaan. Waar was hTen waar was de keizer nu? Een verdrietige trek teekende zich op 't gezicht van den veteraan. Nu was de keizer weer weg, hij zag hem niet meer. Straks stond hij daar, op den heuvel, m dden in den kruitdamp, geheel alleen. Daar stond hij, zooals vroeger, roerloos, het hoofd op de borst gezakt, te turen van onder den driekanten steek. De keizer had .hem «J«J*kort en gebiedend, en hij had geroepen: „Ik heb ,e noodig, La'oussel Ze nebben me verjaagd en al jouw trouwe kameraden, metwieik de wereld veroverde, zijn dood". . Ah toen had hij, Napoleon^s ruiter, zijn paard de sporen in de; zijde geslagen; hi, had het uitgebulderd: „Present, Sire!.... Vive 1 Empereur.

Toen waren die schurken gekomen, die gewetenlooze voetknechten, en ze hadden zijn paard gegrepen, ze hadden zich aan hem vastgeklemd als de wolven van Rusland aan de dóódgejakkerde soldaten.... Ze hadden gelachen om den keizer, die

Sluiten