Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

Buiten de poort klonk al duidelijker 't naderende geluid. Buiten juichte en jubelde men, binnen daverden de vreugdekreten terug. Men had wel door de nog altijd gesloten poort willen heenkijken. Daar knarste ze open en — drie ruwe kerels, op kleine paardjes gezeten, met norsche, verweerde gezichten, en allervreemdst gekleed en gewapend, reden binnen, gevolgd door bijna alle bewoners van de buitenstad.

Van Merlevelds ruiters namen hen in hun midden. Ofschoon niemand die vreemde Kozakkentaal verstond, begreep men dra, dat ze de brieven, die ze toonden, aan het stadsbestuur moesten overbrengen. Toen ging het in de richting van 't stadhuis, 't Volk juichte en schreeuwde en drong, en Van Merleveld was genoodzaakt stapvoets te rijden om ongelukken te voorkomen. Men drong tusschen de ruiters in, men streelde de kleine paardjes, men wierp de vreemdelingen lekkernijen toe, men trachtte op allerlei wijzen zijn blijdschap over hun komst te toonen. 't Werd een zegetocht voor die drie forsche kerels, die al de opgewondenheid heel kalmpjes aanzagen, en uit de lekkernijen eindelijk een groote metworst oppikten. Dat was iets van hun gading.

Eindelijk bereikte men 't stadhuis en konden de drie Kozakken bij den maire worden aangediend.

Daar, op de Plaats voor Hazenberg, bereikte de dolle vreugde wel haar toppunt.

„Hoezee! Leve, leve de Kozakken! Oranje boven! Weg met de Franschen! Weg met Napoleon. Leve de prins!"

't Was twee uur in den middag. Grootvader zat in zijn stoel dicht bij den vroolijk vlammenden haard, zijn handen gevouwen, zijn hoofd gebogen, peinzend in de vlammen te staren.

Tante Lena was uitgegaan. Nu durfde ze wel.

Hier, in 't rustige Achter Clarenburg, was niet zoo heel veel van de drukte te merken geweest; die had meer in de middenstad en den omtrek van de Wittevrouwenpoort geheerscht; maar, zooal geen drukte, het groote geluk leefde ook hier: Utrecht was vrij! En een terugkomst van de Franschen bij het al meer en meer naderen van Pruisen en Russen leek heel onwaarschijnlijk.

In grootvaders hart leefden vreugde en dankbaarheid. Alleen dit eene versomberde die blijheid: Frans. Wat zou er met den armen jongen gebeurd zijn? Zou hij ineengezakt zijn, mishandeld, gedood misschien? Zou hij alleen gestraft worden als een oproerig burger, die zich aan Fransche soldaten vergrepen heeft, of zou

69

Sluiten