Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

HOOFDSTUK XV.

BESLUIT.

Enkele maanden zijn voorbijgegaan. Ze hebben veel verandering gebracht. Prins Willem van Oranje is Koning van Nederland *). De Roevers geestdriftige uitval: „Koning zal hij zijn!" is waarheid géwordén.

Den 30sten November, twee dagen na den Utrechtschen Kozakkendag, is hij in Scheveningen geland; het opgewonden volk heeft hem juichende, met tranen van blijdschap en dankbaarheid in de oogen, begroet; het heeft zijn wagen naar Den Haag getrokken; men heeft hem aangezien als een dien men liefhad en die uit den dood was weergekeerd. Met Oranje kwam de vrijheid!

Geen Stadhouder, Koning zou hij zijn.

Geen Willen VI, maar Willem I, de Souverein, zou hij heeten.

Hij werd koning;.... ach, maar over een arm, uitgemergeld land, zonder geld, zonder soldaten.... Ja, maar hij werd koning over een volk, dat hem liefhad, dat geleerd had in deze droeve

*) Wel poogden eenige oud-Regenten den regeeringsvorm van vóór 1795 weer in te voeren, waardoor hun- farniliën, als oudtijds, veel invloed zouden krijgen, en allerlei partijschappen weer welig konden tieren, maar verstandige mannen als Van Hogendorp, Van Limburg Stirum, e.a. begrepen, dat Nederland nu een koning hebben moest.

Willem I, zoon van den verdreven stadhouder Willem V, aanvaardde vol liefde en toewijding de moeilijke taak. Hij werd daarin trouw bijgestaan door genoemde heeren, die zitting kregen in het landsbestuur.

Zooals eenmaal Willem de Zwijger zelfs zijn tafelzilver ten gelde maakte, om den strijd tegen Alva te kunnen aanbinden, had ook deze Willem, daarin geholpen door zijn moeder, eigen bezittingen verkocht of verpand, om in Engeland reeds troepen aan te werven en Holland ter hulp te komen.

Sluiten