Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

EERSTE HOOFDSTUK

OOSTZAANSCHE JONGENS

't Was in het jaar 1623.

Twee jaar geleden, dus in 1621, was het twaalfjarig bestand geëindigd en de strijd om gewetensvrijheid en onafhankelijkheid tegen het machtige Spanje hervat. Doch thans verkeerde ons land in heel wat gunstiger omstandigheden dan bij het begin van den vreeselijken worstelstrijd, toen Bergen, Mechelen, Zutfen en Naarden door de Spanjaarden werden uitgemoord en een geweldig bloedbad in het veroverde Haarlem werd aangericht. Had in dien bangen tijd de edele en onversaagde Prins Willem van Oranje zijn beschermende hand niet over ons uitgestrekt, hoe droevig zou het er dan met ons arme volk hebben uitgezien. Doch zijn bezielend woord, zijn onbegrensd vertrouwen op de hulp van God en zijn groote zelfopoffering, die hem alles, wat hij bezat, deed offeren op het altaar van het onderdrukte vaderland, wisten de hoop bij ons volk levendig te houden en het te prikkelen tot groote daden. Helaas, hoe had de Prins steeds te kampen met gebrek aan de noodige geldmiddelen, om den strijd met kans op succes te kunnen voeren. Steeds werd hij door geldgebrek verhinderd krachtig op te treden en herhaaldelijk was hij gedwongen de aangeworven krijgslieden te ontslaan, omdat hij geen geld had om hen te betalen, wat dikwijls tengevolge had, dat zij overliepen naar den vijand en ten strijde optrokken tegen hun spitsbroeders van den vorigen dag. Want de legers bestonden in die tijden hoofdzakelijk uit vreemdelingen, die van het vechten een vak maakten.

Sluiten