Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

„Wat een vee hebben ze op hun schuit," zei Gerrit. „Een, twee, drie, vier koeien, geen kleinigheid. Als ze niet heel kalm blijven staan, schept de praam water. Dat zou wat wezen. Hallo, buurman, moet je er door?"

„Ja jongens, haal je snoeren maar in."

„Wat jammer," riep Aris. „Hij begon net zoo lekker door te bijten."

De praam kwam tegen den wal, de stuurman sprong op den kant en de drie jongens meenden juist van de leuning te klimmen, toen deze een vervaarlijk gekraak deed hooren en in twee stukken brak. Zoolang de jongens stil waren blijven zitten, had de leuning het uitgehouden, maar niet zoodra waren zij in beweging gekomen, of zij had het opgegeven.

„Plons!" klonk het, en Jan Compaan verdween in de diepte.

„Plons! Plons!" Aris en Gerrit volgden hem op de hielen, 't Gaf een geweldig tumult en het water spatte hoog op. De koeien op de praam schrokken er van en sprongen omhoog, drongen elkander op zij en kwamen aan één kant van het vaartuig terecht, met het gevolg, dat de praam water schepte en omsloeg. De koeien sprongen over boord en kwamen in de diepte terecht.

Dat gaf een consternatie.

Willem de Snoek sloeg zijn armen ten hemel en kon gedurende enkele seconden van schrik geen woord uitbrengen. Maar zijn knecht Govert, die nog juist bijtijds aan wal gesprongen was, schreeuwde daarentegen des te sterker. De koeien, die met hun pooten diep in de modder zakten, loeiden op een verschrikkelijke manier en plonsden her en der, hoewel het hun heel moeilijk viel zich te verplaatsen, en zij trapten tegen de jongens, die moeite hadden om hun hoofd boven water te houden. Van Jan Compaan was zelfs niets te zien. Zou hij misschien met zijn hoofd in de modder terecht gekomen en dientengevolge gestikt zijn?

„Help! — Help! — Help!" schreeuwde Govert, zoo luid hij kon.

En toen Willem de Snoek weer geluid kon geven, schreeuw-

18

Sluiten