Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

28

een weinig open en verscheen er een hoofd om den hoek, waarvan de oogen vliegensvlug door het vertrek ronddwaalden. Blijkbaar zagen de aanwezigen er voor den bezoeker niet schrikwekkend uit, want de deur werd thans geheel geopend en een jonge man trad het vertrek binnen. Zijn kleeren zaten dik onder het stof, en de aanzittende kapiteins zagen met een enkelen oogopslag, dat de vreemdedeling een zeeman moest wezen. Daarin konden zij zich niet vergissen. Het gesprek hokte een oogenblik en allen hielden hun blik op hem gericht. Ongetwijfeld koesterden zij allen dezelfde gedachte, namelijk, dat deze man wel een van de samenzweerders kon wezen, die zich door de vlucht trachtte te redden.

„G'n avond samen," klonk zijn groet, en toen nam' hij plaats op een bankje, zoo dicht mogelijk bij de deur.

„G'n avond," klonk de groet terug.

„En wat zal het wezen, vriendschap ?" vroeg Jan Vechterszoon aan den vreemdeling.

„Elan ik wat te eten krijgen?" was de wedervraag, ,,'k Heb honger."

„Wat je maar wilt, vriend. Een varkenskarbonade met brood misschien, lekker gebraden?"

„Heb je ham? Geef mij dan maar eenvoudig brood met ham."

,,'t Zal je gebeuren," zei de herbergier, en weldra werd den vreemdeling het gevraagde voorgezet. Hij viel er met zooveel graagte op aan, dat niemand er aan hoefde te twijfelen, of hij had grooten honger. Hij nam zulke groote happen, dat het scheen, of hij den geheelen dag nog niet gegeten had. 't Gesprek onder de aanwezigen werd intusschen voortgezet, al was het dan ook over een ander onderwerp, en het drinken en rooken werd onder de hand niet verzuimd. De eene beker na den anderen werd geledigd en het eene pijpje na het andere gestopt. De gelagkamer stond stijf vol rook.

„En wat hoor ik, buurman Compaan," zei Jacob Quik. „Ga je weer varen ? Ik dacht, dat je dat al voor goed uit je hoofd had gezet."

Sluiten