Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

93

ergens elders. Hij wist, dat er een Engelsche vloot uitgezonden was, op bevel van den koning, om hem op te sporen en gevangen te nemen, en ook de Spanjaarden en Portugeezen zouden geen genade met hem hebben, wanneer zij hem in handen mochten krijgen. En dat dit eenmaal gebeuren zou, o, dat stond bij hem vast. Dat was maar een kwestie van tijd; zijn broer Klaas mocht dan dapper zijn als een leeuw en tegelijkertijd listig als een vos, eenmaal zou het noodlot hem wel achterhalen en dan wachtte hem een smadelijke dood door beulshanden. Hij was diep met het lot van de ongelukkige vrouw begaan en beklaagde haar uit den grond van zijn hart. Want hij was een braaf zeeman, die zich nooit zou verlaagd hebben tot een leven, zooals thans door zijn broer Klaas werd geleid. Peinzend keek hij voor zich op de tafel en er kwamen diepe rimpels op zijn voorhoofd. Zoo graag zou hij haar getroost hebben, maar hij kon er de woorden niet voor vinden.

Opeens richtte Vrouw Compaan zich op, en zij strekte de armen naar hem uit en riep hem toe:

„O, maar Hein, hij moet gered worden! Hij moet terug gebracht worden van den verkeerden weg, die hem en ons allen ten verderve zal voeren."

,Ja — maar hoe, zuster? Ik weet niet, wat ik zou kunnen doen...."

„Je moet hem opzoeken op zee, Hein, net zoo lang zoeken tot je hem vindt, en hem bezweren dat verschrikkelijke leven vaarwel te zeggen en terug te keeren naar mij en de kinderen. ..."

Hein Aartsz gaf geen antwoord en zat diep in gedachten verzonken.

„Het móét, Hein, het móét! Jij moet het doen, Hein! O, als jij het niet doet, wie zal het dan doen ? Tot wien moet ik mij dan wenden? Jij bent zijn broer!"

Vrouw Compaan wrong zich in vertwijfeling de handen.

„Maar mijn eigen zaken dan ?" vroeg Hem Aartsz weifelend. „Ik drijf handel op Dantzig en Hamburg, en heb daar mijn relaties...."

Sluiten