Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

96

wat in ons vermogen is, om Klaas te redden. Beloof het me, Hein, — beloof het me! Ik smeek er je om!"

„Goed," zei Hein Aartsz, „ik zal gaan, dat beloof ik je.."

„O, dank, zwager, dank!" riep Vrouw Compaan uit, en zij stond op en drukte hem in haar vreugde de beide handen. „Nu zal alles weer goed worden. Mijn leven lang zal ik je dankbaar blijven."

Hein Aartsz schudde echter twijfelmoedig met zijn hoofd en zeide:

„Ik waarschuw je, je verwachtingen niet te hoog te spannen, zuster. Ik geloof wel, dat het mij gelukken zal, tot den Prins te worden toegelaten, al zal het heel moeilijk gaan, maar dat ik zijn pardon zal loskrijgen, neen, daar geloof ik niets van. Klaas heeft het helaas al te bont gemaakt, — heusch, al te bont."

„En wanneer ga je?" vroeg Vrouw Compaan, die thans al haar hoop op dit bezoek bij den Prins had gevestigd. „Al gauw, hoop ik?"

„Ja, nu de kogel eenmaal door de kerk is en ik het je beloofd heb, zal ik er geen gras over laten groeien en ga ik zoo spoedig mogelijk, wellicht morgen reeds. Maar nog eens, span je verwachtingen niet te hoog!"

„Maar 't kan toch gebeuren, Oom!" riep Jan hem toe. „En als het u gelukt zijn pardon los te krijgen, wat dan?"

„Dan vaar ik naar de kusten van Afrika, om je Vader op te zoeken, en hem het pardon te brengen, Jan. Daar schijnt hij zich het meest op te houden."

„En mag ik dan mee, Oom?" vroeg Jan.

„Ja, dan mag je mee, als je Moeder het goedvindt."

„En u vindt het goed, niet waar, Moeder?" vroeg Jan, die niets liever wenschte, dan zijn Oom op die reis te vergezellen, om zijn Vader op te sporen.

„Zeker, niets liever dan dat," zei zijn moeder, „want dan kun je je smeekbeden voegen bij die van Oom, om hem over te halen, zijn snood bedrijf op te geven en naar huis te komen. O, aan de smeekbeden van zijn eigen kind zal hij toch geen weerstand kunnen bieden?"

Sluiten