Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

weet wel, dien zoon van Taams, hier van Oostzaan, en die moest de kannen vullen, en toen dronken wij weer op de goede reis en liet hij me eindelijk ongehinderd vertrekken. Maar ik moest hem beloven, u en de kinderen hartelijk van hem te groeten. — En nu ga ik weer vertrekken. Herman Taams heeft mij verzocht, ook zijn ouders van hem te gaan groeten en hun een en ander van zijn wedervaren te vertellen. Dus wensch ik u van harte het beste en Gods zegen toe."

Boefje vertrok, en Vrouw Compaan was verheugd, althans iets van haar man te hebben gehoord. Ja, het verheugde haar, dat hij toch lang zoo slecht niet scheen te zijn, als de menschen wel van hem vertelden, want dan zou hij Boefje niet in het bezit van zijn schip en kostbare lading gelaten hebben. De menschen overdreven ook altijd zoo erg, als er wat aan de hand was, en maakten alles veel erger, dan het was. Maar het speet haar, dat hij haar geen geld gezonden had, want daar begon zij groote behoefte aan te krijgen.

Twee dagen later kwam Hein Aartsz uit Den Haag terug, maar hij zag er verre van opgewekt uit, toen hij bij Vrouw Compaan de kamer binnen trad.

„Daar is Oom Hein!" riep Jan verheugd uit, zoodra hij hem zag, en hij sprong van zijn stoel op, om hem de hand te geven.

„Goeden dag allen," sprak Oom Hein, en zijn schoonzuster tiad hem tegemoet, doodsbleek en ten zeerste ontroerd.

„Welke tijding breng je ?" vroeg zij zacht, terwijl zij het antwoord op die vraag reeds op zijn gezicht wilde lezen, nog voor hij gesproken kon hebben, en o, zij behoefde niet te twijfelen, het zou een ongelukstijding wezen.

Oom Hein nam plaats aan de tafel en zei:

„Ik breng je geen goed bericht, Zuster...."

„Heb je den Prins niet gesproken?" vroeg zij gejaagd.

„Jawel, hij heeft me ontvangen, maar zoowel Zijne Hoogheid als de Hoogmogende Heeren Staten zijn onwillig, om pardon te verleenen. Zij denken er niet over. Klaas heeft het trouwens al te bont gemaakt; zelfs de Hollandsche schepen heeft hij niet ontzien."

107

Sluiten