Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

127

stortte. In 't eerste oogenblik wist hij niet, wat er met hem gebeurd was, maar zijn helderheid van geest kwam heel spoedig alweer terug, en toen begreep hij, dat een kogel hem moest getroffen hebben. Maar waar?

„Zal ik nu sterven?" was zijn eerste gedachte. „Ver van huis, en zonder Hein te hebben gevonden?"

Een stekende pijn in zijn rechterbovenarm lichtte hem weldra in, waar de kogel hem moest geraakt hebben, en plotseling kwam de vrees bij hem op, dat misschien zijn arm wel weggeschoten was.

Een enkele blik overtuigde hem, dat hij zich daarover ten onrechte beangst had gemaakt. Zijn arm bevond zich goddank nog op dezelfde plaats, maar hij zag, dat het bloed uit zijn buis stroomde, en hij voelde dat hij voortdurend lichter in zijn hoofd werd en dat het hem meer en meer moeite begon te kosten, om zijn hoofd rechtop te houden. Hij werd duizelig. En rondom hem donderden de kanonnen en knalden de musketten, en hoorde hij verschrikkelijke kreten van stervenden en gewonden, en werd er druk heen en weer geloopen, en soms voelde hij, hoe men op hem trapte in de hitte van het gevecht.

Hij kreeg een waas voor zijn oogen en was op het punt van in onmacht te vallen tengevolge van de pijn en het bloedverlies, toen hij plotseling door twee sterke armen opgenomen en naar zijn slaapplaats gedragen werd.

Hij sloeg zijn zware oogleden nog eenmaal op en zag, dat het Hendrik de Hoogh, de bootsman, was, die hem uit het gevecht voerde, en een siddering ging hem door de leden, want hij begreep, waaraan hij die quasi-vriendelijke hulp te danken had. 't Was dien man natuurlijk alleen om zijn kostbaren gordel te doen, dien hij nog altijd om zijn middel op zijn bloote lichaam droeg.

Hij had echter de kracht niet, om zich tegen hem te verzetten, — zijn oogen vielen wederom dicht en zijn hoofd zakte krachteloos naar omlaag. Hij had zijn bewustzijn verloren.

Hendrik de Hoogh tilde hem in zijn hangmat en stak hem

Sluiten